De zoete golem van woorden; Alle korte verhalen van Julio Cortázar gebundeld

Julio Cortázar: Verzamelde Verhalen. Vert. Aline Glastra van Loon, Barber van de Pol, J.A. van Praag en Mieke Westra. Uitg. Meulenhoff, 1032 p. Prijs ƒ 100,-.

Het korte verhaal lijkt een beetje uit de mode. Om een of andere reden trekken ze minder de aandacht dan vroeger. Het is of ze een beetje beschouwd worden als vingeroefeningen voor het 'echte werk': een roman. De bloeitijd van het korte verhaal in de Nederlandse literatuur (die in de jaren zeventig meesters als Biesheuvel en Hotz heeft opgeleverd) lijkt in elk geval voorbij en je krijgt de indruk dat het genre steeds meer in de marge wordt gedrukt.

Of dat een internationale trend is weet ik niet, maar het heeft uitgeverij Meulenhoff er gelukkig niet van weerhouden om een verzamelbundel van ruim 1000 pagina's uit te brengen met alle korte verhalen van de in 1984 overleden Julio Cortázar. Een terecht monument voor een van de moderne meesters van het korte verhaal.

Dat het korte verhaal veel meer is dan een vingeroefening voor de roman, blijkt wel uit het feit dat de uitblinkers in het genre vaak geen romanschrijvers zijn. Toch zijn het beslist niet de minste schrijvers die erin excelleerden: Edgar Allan Poe, Tsjechov, Borges, Babel, Kafka - allemaal meesters op de korte baan. En het lijkt me geen toeval dat deze auteurs, als ze zich al aan een roman waagden, zoals Kafka, er niet echt mee uit de voeten konden. Dat Kafka's roem desondanks gebaseerd is op zijn romans, zegt meer over de dominante positie van de roman dan over zijn schrijftalent, dat het best tot zijn recht kwam in de kortere prozastukken en verhalen.

Ook Cortázar schreef romans, en niet zonder succes, maar net als Kafka bewees hij zijn meesterschap toch vooral in zijn verhalen die qua lengte kunnen variëren van een halve pagina tot de omvang van een novelle als 'De achtervolger'.

Dat de wereld van het korte verhaal een andere is dan die van de roman, blijkt duidelijk uit de verhalen van Cortazar: ze verkennen hoekjes en gaten van de werkelijkheid die in romans niet aan bod komen. Het is het domein bij uitstek van de fantasten en de poëten onder de prozaïsten. Omdat het verhaal zich niets gelegen hoeft te laten liggen aan allerlei architectonische principes die een roman overeind moeten houden, kan het opbloeien uit een inval, en dat schept een bewegingsvrijheid die een heel andere blik op de wereld mogelijk maakt.

Dat is wat Cortázar laat zien. Geen gegeven is hem te min: het aantrekken van een trui, het plakken van een postzegel, een palindroom - alles kan aanleiding zijn tot een verhaal. De ene keer pakt dat luchthartig en absurdistisch uit, de andere keer onheilspellend, beklemmend. Soms is hij duister en op het irritante af onnavolgbaar (zoals in 'Het kwijlen van de duivel', waarop Antonioni zijn film Blow up baseerde), andere keren bedrieglijk realistisch. Maar altijd lijkt hij op zoek naar iets dat op de grens van het ervaarbare ligt.

Terecht benadrukt Vargas Llosa in zijn voorwoord het spelkarakter van Cortázars manier van schrijven: elk verhaal is opnieuw een spel met de mogelijkheden van het vertellen. En dus ook een spel met de lezer. Hoe bedrieglijk alledaags de toon ook is die hij aanslaat, in de werelden die hij oproept staat alles op losse schroeven, elk moment kan er iets verschuiven of kantelen, waardoor de dingen een onvoorziene wending nemen. En die onberekenbaarheid is een van de grote charmes van Cortázars vertelkunst.

In een vroeg verhaal als 'Brief aan een meisje in Parijs' maakt hij het aandoenlijk absurde gegeven van een man die 'konijntjes braakt' heel overtuigend door de groeiende paniek te beschrijven van iemand die er niet meer in slaagt deze afwijking voor anderen verborgen te houden. En in 'Brieven van mama' is een kleine 'verspreking' in een brief voldoende om een verleden tot leven te wekken dat uitgroeit tot de spookachtige werkelijkheid: die van een dode broer die op bezoek komt.

Maar ze laten zich nauwelijks navertellen, deze verhalen, want hun kracht zit in de onderhuidse manier van vertellen. In de manier waarop door de naden en kieren van de alledaagse werkelijkheid plotseling het vreemde, bizarre, onheilspellende binnendringt. Dat kan angstaanjagend zijn, maar soms ook betoverend. Zoals in het prachtige verhaaltje 'Axolotl', waarin de metamorfose van een man tot een klein reptiel wordt beschreven met een minutieuze en liefdevolle aandacht voor details.

En soms blijkt een verhaal opeens over iets anders te gaan dan je dacht. Zoals in 'Venijnen', een mooi verhaal over een jongetje dat wordt gefascineerd door een apparaat waarmee mierennesten worden uitgerookt met gif tot opeens zijn verliefdheid op een buurmeisje het eigenlijke venijn aan het licht brengt.

Keer op keer vindt Cortázar nieuwe manieren om de lezer te verwikkelen in ongewisse avonturen met het alledaagse, dat allesbehalve alledaags blijkt te zijn. Dat geeft zijn verhalen vaak iets merkwaardig onbestemds en spannends: je weet nooit hoe het uit zal pakken.

Dat komt ook doordat er vele Cortázars zijn: er is een luchthartige, speelse Cortázar, zoals die van De mierenmoordenaar, die zich uitleeft in de ultrakorte, geestige verhaaltjes over Cronopio's en Fama's en in absurdistische beschouwingen, maar er is ook een melancholieke Cortázar en een sinistere - en soms zijn ze niet van elkaar te onderscheiden. In Cortázar woonden de realist en de surrealist vlak naast elkaar.

In het verhaal 'Silvia' uit Reis om de dag in tachtig werelden gaat het om de hersenschim van een nimfachtig meisje, die alleen opduikt tussen spelende kinderen. Terwijl hij deelneemt aan de discussies over kunst en literatuur die hun ouders voeren, raakt de hoofdpersoon in de ban van dit niet-bestaande meisje. En als hij erover schrijft heeft hij het over 'een zoete golem van woorden' waarin hij haar probeert te achterhalen.

Dat is een mooie omschrijving voor wat Cortázar als verteller eigenlijk steeds probeert te doen: keer op keer schept hij een 'golem van woorden' - de ene keer zoet, en met humor, de andere keer bitter of wrang - om iets te vangen dat nèt buiten het gezichtsveld blijft. Veel van zijn verhalen zijn pogingen om een wereld te beschrijven die vlak naast de bekende, alledaagse wereld lijkt te liggen - een wereld die voelbaar wordt, en bijna grijpbaar, maar die zich altijd op het beslissende moment onttrekt. Hetzij in een catastrofale ontsporing van het alledaagse (zelfmoord, moord, dood), hetzij op een meer surreële manier.

In het verhaal 'De zuidelijke autoweg' uit de bundel Alle branden de brand, (1966 )laat hij zijn fantasie los op een gegeven dat sindsdien alleen maar reëler is geworden: de file. Het autoverkeer op de zuidelijke snelweg onder Parijs komt muurvast te zitten en met een laconiek realisme beschrijft Cortázar wat er gebeurt als dit lang gaat duren - noodgedwongen ontstaan er complete, geïmproviseerde samenlevinkjes op de snelweg, waarin mensen elkaar bij de merknamen van hun auto's noemen, waarin leidersfiguren opstaan die de voedselvoorziening organiseren, ziekenverzorging regelen, enzovoort. Na dagen raakt men gewend aan de situatie; er bloeit een romance op tussen een ingenieur en een meisje uit een Renault Dauphine - en opeens, terwijl niemand er meer op rekent, komt er schot in de file. Tot zijn verbijstering ziet de ingenieur hoe zijn geliefde in haar Dauphine, die in een andere rij staat, uit zijn blikveld verdwijnt, en hoe heel die geïmproviseerde wereld in enkele minuten onherroepelijk uit elkaar valt en is verdwenen.

Hier speelt het fantastische nauwelijks een rol - en toch is het een prachtig verhaal, waarin uit een maar al te reële chaos een nieuwe orde ontstaat, die vervolgens binnen enkele minuten weer oplost in het niets.

Cortázars verbeeldingskracht staat voor niets: de triviale werkelijkheid van het dagelijkse leven biedt hem evenveel stof als een gladiatorengevecht uit de oudheid ('Alle branden de brand') of het ijlste taalspelletje. Zo ontwikkelt hij in het late verhaal 'Satarsa' (1982) uit een spel met palindromen (“atar a la rata” - de rat vastbinden) een sinister verhaal over de desperado's die proberen te overleven door jacht te maken op gevaarlijke reuzenratten. En het is, hoe anders ook, even overtuigend als het 'Dagboek voor een verhaal', waarin uit de tamelijk radeloze aantekeningen van het begin toch een mooi nostalgisch verhaal groeit over het hoertje Anabel in Buenos Aires.

Wie een studie zou willen maken van de onuitputtelijke mogelijkheden van het genre heeft met deze verzamelbundel een schitterend stalenboek in handen: met zijn verbale inventiviteit, zijn oog voor triviale details, zijn grillige verbeelding en zijn bedrieglijke vertelstrategieën blijft Cortázar een inspirerend voorbeeld van anarchistische vertelkunst.