De ziel telt niet mee; Het mensbeeld van deze eeuw in Museum Ludwig

De Duitse 'Pralinenmeister' Peter Ludwig is de grootste particuliere verzamelaar van moderne kunst ter wereld, een collectie die hij heeft ondergebracht in zeven musea verspreid over heel Europa. In Keulen is nu een tentoonstelling van werk uit zijn collectie te zien die een omvattend beeld van deze eeuw wil geven. “De onverzadigbare verzamelaar heeft zich dit alles als een triomfator toegeëigend.”

Tentoonstelling: Unser Jahrhundert; Menschenbilder, Bilderwelten. T/m 7 okt. Museum Ludwig, Bischofsgartenstrasse 1, Keulen. Di t/m zo 10-18u.

Voordat de bezoeker de expositie Unser Jahrhundert; Menschenbilder, Bilderwelten betreedt, passeert hij eerst het portret van Peter en Irene Ludwig. Het staat op een schildersezel in de museumhal, bovenaan de trap, naast het toegangshekje waar de suppoost de kaartjes controleert. De fotorealist Jean-Olivier Hucleux schilderde het echtpaar in 1975/76. Zij, met Beatrixkapsel en gekleed in een tijdloze japon met parelketting, heeft haar hand onder de elleboog van haar echtgenoot geschoven. Hij, in driedelig grijs pak, houdt de handen gevouwen op de corpulente buik. Ze kijken star glimlachend voor zich uit. Het perfecte beeld van zelfvoldaanheid en burgermanstrots.

Peter Ludwig, chocoladefabrikant, is Europa's grootste particuliere collectioneur van moderne kunst. Hij werd onlangs 70 jaar. Ter gelegenheid hiervan organiseerde Museum Ludwig in Keulen een groots opgezette tentoonstelling die, volgens het persbericht, 'vanuit een actueel perspectief een omvattend beeld van deze eeuw wil geven'. De kunstwerken zijn afkomstig uit de Ludwigverzameling, die in de afgelopen 45 jaar ontstond. De verzameling is ondergebracht in zeven 'Ludwigmusea': in Keulen, Wenen, Oberhausen, Aken, Boedapest, Koblenz, en - dit jaar geopend - St. Petersburg.

Het echtpaar Ludwig heeft in deze Ludwig-musea de zeggenschap over het tentoonstellings- en aankoopbeleid. Daarnaast bestieren zij een aantal Ludwigstichtingen, waar het accent ligt op tijdelijke exposities. Zoals de directeur van het Keulse museum, Marc Scheps, schrijft in de catalogus bij Unser Jahrhundert: 'Irene en Peter Ludwig waren altijd bereid om steden bij te staan waar culturele gaten waren te dichten'.

En zo presideert het echtpaar nu daar bovenaan de trap over onze eeuw zoals die volgens hen tot uitdrukking komt in de beeldende kunst. Het mensbeeld staat hierbij centraal. 280 Werken van 130 kunstenaars zijn gegroepeerd rond vier thema's, 'Geest en lichaam', 'Glans en ellende', 'Aarde en hemel' en 'Utopie en dood'.

Maar anders dan de titel suggereert komt de twintigste-eeuwse mens, als individu, in al zijn glans en ellende, op de tentoonstelling nauwelijks voor. Alleen af en toe is een glimp van hem op te vangen. Bijvoorbeeld bij Jean Dubuffet, in twee meesterlijke schilderijen uit 1976. In Dubuffets De afbeelding en zijn omgeving zit een verwrongen figuur opgesloten in een donker kamertje, midden in een labyrintische chaos waarin monsters en fabeldieren opduiken. De gepassioneerde en toch beheerste schriftuur van Dubuffet creëert hier een sterke expressieve lading. Ook de late zelfportretten van Picasso drukken eenzaamheid, wanhoop en vervreemding uit; ze maken zijn persoonlijke belevingswereld haast tastbaar voor de beschouwer.

Een prachtig, intiem schilderij van Kokoschka, een bruikleen overigens, van twee geliefden tussen bomen in het gras, neemt op de expositie eveneens een geïsoleerde positie in. Het verbeeldt, gezien zijn plaats op de tentoonstelling, de 'glans' van de twintigste-eeuwse mens. Het doek hangt nabij een houten beeld van Jeff Koons uit 1990 dat hetzelfde thema moet illustreren. Dit beeld van bijna drie meter lang en anderhalve meter hoog stelt Jeff en Ilona copulerend voor. De knalharde tegenstelling maakt van de Kokoschka bijna een farce; de liefde zoals Kokoschka die verbeeldt is een gepasseerd station, louter nostalgie. Koons heeft de liefde veruiterlijkt, teruggebracht tot haar fysieke aspecten, een spektakelstuk voor het publiek.

Aarde en hemel

Bij de Menschenbilder van Ludwig gaat het niet om het individuele, persoonlijke. Het gaat om iets heel anders, om de mens als anoniem onderdeel van een systeem, en om politieke ideologie. Zo staat het hoofdstuk 'Aarde en Hemel' in het teken van de 'Lebensraum' van Anselm Kiefer, en het hoofdstuk 'Utopie en dood' in het teken van de dreiging van massamoord.

De expositie opent met een werk van Christian Boltanski, getiteld 'Deze kinderen zoeken hun ouders' (1994). Vijftien uitvergrote pasfoto's (150 x 97,5 cm) van joodse kinderen die tot op heden hun ouders kwijt zijn, worden fel beschenen door vijftien lampen. De expositie eindigt met een 'Lenin-Mausoleum' van het Russische duo Komar & Melamid, dat in zijn ironische heiligverklaring van Lenin en Stalin, compleet met gipsen portretbusten en sociaal-realistische taferelen die de heldendaden van de leiders memoreren, de val van het communisme bezingt.

Zo bezien heeft de tentoonstelling Unser Jahrhundert tot opzet om met behulp van de beeldende kunst de grote twintigste-eeuwse ideologieën ten grave te dragen. Impliciet wordt ook duidelijk gemaakt dat deze systemen overwonnen zijn door het kapitalisme, belichaamd in de 'Pralinenmeister' Ludwig (zoals hij in Duitsland wordt genoemd). Hij, de onverzadigbare verzamelaar, heeft zich als triomfator dit alles toegeëigend.

Anonimiteit en de pijnlijke afwezigheid van alle intimiteit bepalen het karakter van de tentoonstelling. Of het nu de hyperrealistische clochards zijn van Duane Hanson, de witte gipsafgietsels van naakten van George Segal, de felgekleurde Pop Art-naakten van Tom Wesselmann, het grijze kantoorpersoneel op een schilderij van Richard Artschwager, de flatbewoners in Montparnasse op een foto van Andreas Gursky, de doden in fluwelen jurken van Eva Aeppli, de panische draadfiguurtjes van A.R. Penck: het zijn allemaal massamensen. Ze zullen wel een ziel hebben, maar die ziel telt hier niet mee. Het meest schrijnend komt dit uitdrukking in het beeld van 51 gebogen ruggen, zittend op de grond, van de Poolse Magdalena Abakanowicz.

Massamens

Ik zou niet willen ontkennen dat de massamens hoort bij onze eeuw. Maar hier ontstaat de indruk dat dit dé mens is van de twintigste eeuw. Er spreekt bovendien onverschilligheid uit de expositie, een onverschilligheid die niet zit in de kunstwerken zelf, maar in de manier waarop ze worden gepresenteerd, alles lukraak door elkaar heen zonder rekening te houden met de context en betekenis van de afzonderlijke werken. Het lijden dat een thema is van veel werken, wordt erdoor gebanaliseerd - het is allemaal maar spielerei; als de verzameling spullen van een verwend kind dat nooit genoeg heeft, steeds iets nieuws wil hebben en als het het heeft, hoe kostbaar ook, niet weet wat het er mee aan moet.

Er is op dit moment nog een tentoonstelling te zien die deze eeuw bestrijkt en het beeld van de mens als thema heeft. Jean Clair, directeur van het Musée Picasso in Parijs, organiseerde voor de Biennale van Venetië in Palazzo Grassi een expositie onder het motto 'Identiteit en Anderszijn, 1895-1995'. Deze expositie (waarvan de catalogus ook in Nederland verkrijgbaar is) toont de onuitputtelijke rijkdom van het mensbeeld in de twintigste-eeuwse kunst. Hier zijn ze allemaal: de vooruitgangsdenkers, intellectuelen, slachtoffers van waanzin en van geweld, kunstenaars, dromers, zieners, door totalitaire regimes onderdrukten, doden, arbeiders, machthebbers, geliefden, eenzamen, machinemensen, wreedaards, schoonheidsgoden- en godinnen. En geeneen is aan een ander gelijk. Hier draait het om de individualiteit van de mens, en om zijn zieleleven. Waar zou een tentoonstelling over de mens in de kunst ook anders over moeten gaan? Maar die individuele mens is in Keulen onvindbaar.