De rosse bietser van Barakstad; J.M.H. Berckmans over dégénérés die worstelen met taal

J.M.H. Berckmans: Taxi naar de Boerhaavestraat. Uitg. Nijgh en van Ditmar, 159 blz. Prijs ƒ 34,90.

'Net zolang staan Camilla de gorilla en de dikke koe in de Kring te knoeften. Bij al die onnozelaars met al hun onnozele wijven. Bij de patjes. Al zijn de patjes zo kwaad nog niet als ge zelf in ijltempo een patje aan het worden zijt door te knoeften en te knoeften en almaar te knoeften.'

Deze passage uit Taxi naar de Boerhaavestraat, de nieuwe verhalenbundel van J.M.H. Berckmans, munt niet uit door verstaanbaarheid. Wel is het zo dat de taal van de auteur, die zijn best doet de Vlaamse Bukowski te worden, samenvalt met de personages die hij ten tonele voert en dat wijst op een groot literair vermogen. Hij voert de taal van vegeterende alcoholisten, fysieke en morele wrakken, halve of hele racisten voor wie woorden hun betekenis hebben verloren. Tot vormgeving, hetzij van een gedachte, een emotie, een kamer, een maaltijd, het eigen uiterlijk, of wat dan ook zijn deze mensen niet in staat. Het enige wat telt in hun troosteloze leven zijn roesmiddelen, eten en het uitscheiden daarvan. Pissen en poepen zijn hun raison d'être, de enige daden waarmee ze hun bestaan iedere dag bevestigen.

Aanvankelijk is het fascinerend hoe Berckmans voornamelijk in de directe rede en zonder noemenswaardige beschrijvingen een milieu van dégénérés oproept, maar na drie of vier verhalen slaat de fascinatie om in verveling en zelfs ergernis. Waarschijnlijk is dat ook de bedoeling, want de lezer wordt neergepoot tussen de ongewassen mannen met onderbroeken vol stront en verflenste vrouwen in dito omstandigheden die in hun stinkende kotten eindeloos zeuren over niets. Dat is hooguit een uur uit te houden, daarna wordt het stomvervelend.

De zuipende, slikkende, schijtende en wegrottende paupers die Berckmans' Barakstad (Antwerpen) bevolken, kunnen niet weg uit hun godvergeten monotone hoofdpijnwereld. Er is geen ontkomen aan, behalve richting Boerhaavestraat waar een gekkenhuis is gevestigd.

Onder Berckmans' personages lopen een paar aankomende schrijvers rond die in de beste tradities van het postmodernisme vooral filosoferen over taal. Deze door drank en drugs aangetaste denkers figureren steeds onder een andere naam en vertellen het verhaal over Barakstad, zichzelf en hun vrienden vanuit hun perspectief. Dat levert een verwarrende en weinig functionele constructie op, temeer daar al snel duidelijk wordt dat al deze pseudoschrijvers afsplitsingen zijn van J.M.H. Berckmans. Aan de inhoud van hun gefilosofeer is geen touw vast te knopen of het moest de opvatting zijn dat er buiten de taal geen werkelijkheid bestaat. Alleen de taal telt, reden om een leven te vullen met bijvoorbeeld het zoeken naar één allesomvattende metafoor. Buiten de taal en de tekst bestaat er niets en in de tekst is alles geoorloofd.

Berckmans wil zich duidelijk alles veroorloven en het ligt voor de hand dat het boek voor een deel uit citaten bestaat. Zelf verwijst hij naar Tom Waits in de titel van een verhaal en naar J.P. Donleavy door één van zijn viezeriken de rosse bietser te noemen. Andere auteurs noemt hij niet, maar de ontlenigen zijn niettemin duidelijk. Het ritme, de woordkeus en beeldspraak in sommige verhalen doen bijvoorbeeld sterk denken aan sommige ballades van Bob Dylan.

In Berckmans poëtica, waarin taal naar niets anders verwijst dan zichzelf, zijn ontleningen uiteraard toegestaan, zoals het ook geen probleem is zwarte mensen consequent zwartlappen te noemen, een joodse vrouw een judenhure en over een liefde te spreken die nog groter is dan de holocaust. Alles is tenslotte fictie die slechts teruggrijpt op andere fictie.

Maar consequent is Berckmans daarin niet. Af en toe komt hij ineens wel met een werkelijkheid buiten de tekst op de proppen. Dan treedt hij onder zijn eigen naam op en noemt hij ook namen van bestaande schrijvers als Lanoye, Hemmerechts en Zwagerman. Van deze drie collega's beschrijft hij slechts hun in zijn ogen afstotelijke uiterlijk, wat de kwalificatie zwartlappen voor gekleurde mensen al weer een stuk minder fictioneel en onschuldig maakt. Berckmans verwijst in dergelijke onverhuld autobiografische passages naar een werkelijkheid waarin vooral onvermogen, rancune en jaloezie een rol lijken te spelen. Onverdragelijk vindt hij het bijvoorbeeld nog geen bestseller-auteur als Lanoye en Hemmerechts te zijn.

Ik vrees voor de architect van Barakstad dat hij dat ook nooit zal worden. Deze ballade van de zinloosheid is in ieder geval niet meer dan een zeurend jankend lied met een onafzienbare hoeveelheid steeds onbegrijpelijker wordende coupletten.