De eer van de goden

Het beleg van Troje. Vert. en bewerking Paul Biegel en Patrick Nieuwenhuyse. Ill. Jirí Behounek. Uitg. Holland, 246 blz. Prijs ƒ 39,90

De Ilias is het verhaal van een oorlog, een verhaal dat niet verhult hoe ruw, wreed en zinloos zo'n oorlog is. Wie het nu leest kan bijna niet anders dan een clichéverzuchting slaken: hoe er nooit iets verandert aan de mensen en hun verschrikkelijk bedrijf. 'Van al wat op aarde ademt en beweegt is niets zo rampzalig als een mens', zegt Zeus (in de vertaling van Gerard Koolschijn) tegen de om Patroklos huilende paarden van Achilles. Zo is het ook. Helaas komt deze verzuchting niet voor in de zojuist verschenen, rijkelijk geïllustreerde bewerking van de Ilias, die Het beleg van Troje heet. Paul Biegel en classicus Patrick Nieuwenhuyse maakten aan de hand van een Tsjechische navertelling een nieuwe bewerking, die dicht bij het origineel blijft maar wat meer uitlegt en minder beschouwingen en vergelijkingen bevat.

Het opvallende van de Ilias is dat er weliswaar twee partijen zijn, en dat iedereen die aan het verhaal begint weet hoe het af zal lopen, maar dat er toch niet voor de ene of de andere partij gekozen wordt. Er zijn geen goeden en slechten, (nu ja, de Grieken zijn toch wel echt de agressors) er is geen partijdige verslaggeving, er is alleen maar een noodlot - en dat beslist dat de Trojanen eraan moeten. De lezer kan zelf partij kiezen, en al is het verhaal bedoeld geweest voor een Grieks publiek dat ongetwijfeld op de hand van de Grieken was, toch is het niet moeilijk om voor de Trojanen te zijn. Zij lijken menselijker, wellicht omdat zij in hun eigen stad zijn, dus met hun familie, vrienden, geliefden, kinderen. De Grieken zijn veel contextlozer, waardoor zo'n jongen als Diomedes niet meer is dan een weerzinwekkende slachter die bijna niet genoeg bloed kan laten vloeien, en Odysseus is een naar, doortrapt en gewetenloos mannetje. (Korte beentjes ook nog.) Hektor daarentegen, de grote man van Troje, het 'stedenschild', hebben we vertederd zien spelen met zijn zoontje dat angstig terugdeinsde voor zijn vaders vervaarlijke helm, we hebben de hartverscheurende dialoog tussen hem en zijn vrouw Andromache gehoord, waarin zij hun zorg uitspreken voor elkaar en vrezen voor de toekomst die hun niets goeds zal brengen. Daardoor is Hektor een echte man geworden, iemand van wie gehouden wordt, iemand die zelf bemint en zorgen heeft, niet zomaar een geweldenaar met een zwaard.

Zo lezen we ook hoe Achilles vermurwd wordt door de oude Trojaanse koning Priamos omdat hij hem aan zijn eigen vader doet denken, maar die vader van Achilles blijft toch niet meer dan een gedachte. Priamos daarentegen hebben we meegemaakt, beraadslagend met de oude mannen, half verliefd op Helena, gebroken van verdriet om zijn zoon Hektor - hoe zouden we kunnen willen dat deze eerbiedwaardige oude man met zijn stad ten onder gaat? De Grieken zouden bovendien kunnen besluiten om de oorlog op te geven en te vertrekken, de Trojanen hebben die mogelijkheid niet, zij worden belegerd en moeten dat dragen. Het lijkt of we de laatste jaren in de krant geregeld over het Trojaanse lot lezen.

Natuurlijk is er iets dat de Trojanen wel kunnen doen: de geschaakte Helena teruggeven. In Het beleg van Troje wordt dat voorstel ook gedaan, net als in de Ilias. Paris, ontvoerder van Helena en zoon van Priamos, is er natuurlijk reusachtig tegen: 'Laat één ding duidelijk zijn: nooit, maar dan ook nooit, geef ik mijn vrouw Helena terug!' Priamos moet beslissen. 'Eergevoel deed hem tenslotte toch voor het voorstel van Paris kiezen.' Deze zin geeft een uitleg die in de Ilias niet gegeven wordt - daar is Priamos eenvoudigweg in wijsheid gelijk aan de goden - en hij roept meer vragen op dan hij beantwoordt. Want wat is dat voor eer? Op een andere plaats roept Ajax de wanhopig vechtende Grieken toe: 'Geloof me: er bestaat geen groter eer dan je leven te geven voor het vaderland!' Ook de boze Achilles die uit woede niet meer meevecht, heeft het steeds over de eer die hij zou verwerven bij het bestormen van Troje. Als hij zich uiteindelijk toch weer in de strijd gooit vraagt men zich helemaal af wat zulke eer voor iets is: Achilles is gruwelijk wreed en genadeloos, een rondstormende moordmachine. Eer, natuurlijk kun je er wel iets bij denken. Maar het blijft een van de moeilijkste begrippen die er zijn, omdat eer zo sterk met cultuur en tijd is verbonden. Sneuvelen voor het vaderland geldt nog steeds als eervol, maar het uitmoorden van zoveel mogelijk tegenstanders staat nu in minder hoog aanzien. En de eer van je zoon redden door een oorlog voort te zetten, vinden wij ronduit misdadig.

Papavers

Het is wel jammer dat in deze overigens levendige bewerking veel van de prachtige en beroemde vergelijkingen zijn gesneuveld. Die vertragen het verhaal op momenten dat er wel heel veel koppen door het zand rollen en ze roepen als vanzelf de rest van de wereld in herinnering, de wereld die niet alleen bestaat uit goed mikken en kelen doorsnijden. Het meesterschap van Homerus zit daar toch vooral in. Neem zoiets: 'Zoals papavers in de tuin zwaar door het zaad en de lentebuien het hoofd laten hangen, zo zakken hun hoofden zwaar door hun helmen opzij.' (Vert. Gerard Koolschijn) Eén moment is het dan, in het opwaaiende stof, temidden van de dreunend neervallende lichamen en het spuitende bloed, lente, zomaar ergens in een tuin.

Wel komt in deze bewerking goed de allereigenaardigste rol van de goden tot uitdrukking. Met zinnen als 'Op de Olympus werd ondertussen, zoals gewoonlijk een feestmaal gehouden' worden scènes van kinderachtig geruzie, verwend gedrag en bijna onschuldige wreedheid ingeleid. Wie zijn die goden toch, die zich tijdelijk zo enorm druk maken over de sterfelijke wezens die hen op andere momenten volmaakt onverschillig laten. De goden, ze zouden alles kunnen voorkomen en verhinderen als ze wilden - of juist niets? Aan het lot, zoals het is voorbeschikt, kunnen ook zij niets doen, zelfs Zeus niet. Ze zijn een wonderlijke mengeling van macht en machteloosheid, van kleinzielige lichtgeraaktheid en volkomen onverschilligheid. De Olympische goden hebben verrassend veel weg van de VN.

Wat betekent het als een god van een mens houdt? Dat kan die mens niet redden. Maar soms ook weer wel: verschillende keren worden mensen door goden ineens onzichtbaar gemaakt of snel van het slagveld verwijderd - vooral Afrodite is dol op die verdwijntruc. Op andere momenten kan dat blijkbaar weer niet. Wiens draad door de schikgodinnen wordt doorgeknipt, die kunnen de Olympiërs niet het leven teruggeven. Maar soms heben ze er plezier in om een handje mee te helpen: zo slaat Apollo de helm van Patroklos' hoofd af als diens tijd gekomen is, zelfs scheurt hij zijn wapenrusting open zodat de arme Patroklos onbeschermd tussen de Trojanen staat. Waarom moet Apollo dat doen? Waarom laat hij dat niet aan de mensen over, als het dan toch moet gebeuren?

Au fond zijn de goden ook nog eens de schuld van alles, als Hera, Afrodite en Athene niet zo'n oliedomme schoonheidswedstrijd hadden gehouden waarbij Afrodite Paris de mooiste vrouw van Griekenland beloofde, dan was er nooit iets aan de hand geweest. Maar zo zijn er talloze oorzaken aan te wijzen en talloze verzuchtingen te slaken die allemaal beginnen met: als niet.... Ook wat dat betreft verhaalt de Ilias van een echte oorlog.

Het beleg van Troje vertelt ook de voorgeschiedenis en de afloop van de Trojaanse oorlog. Dat maakt het tot een afgeronder verhaal dan de Ilias is, die eindigt met de begrafenis van Hektor. Hier blijft de stad verwoest achter na het vertrek van de Grieken: 'Maar Troje lag al in het verleden, het was niets meer dan een ruïne van verwoeste paleismuren, verkoolde balken en zwartgeblakerde velden (-)' Zulke steden kennen we wel.

Het is goed dat Paul Biegel en Patrick Nieuwenhuyse dit verhaal nog eens verteld hebben, zodanig dat het geschikt is voor kinderen maar zonder het kinderachtig te maken. Levendig is het, en vooral waar. Verschrikkelijk waar.

    • Marjoleine de Vos