Artsen veel somberder over genezen dan patiënten

ROTTERDAM, 28 JULI. Bijna alle ziekten zijn goed te genezen. Die stelling wordt onderschreven door 72 procent van de Nederlanders, maar slechts 18 procent van de huisartsen is het daarmee eens. Bijna de helft van de mensen meent dat een jaarlijks medisch onderzoek zekerheid geeft over de gezondheid; vrijwel geen huisarts deelt die mening.

De stelling 'iedereen heeft recht op elke medische behandeling, ongeacht de kosten', wordt door 80 procent van de bevolking onderschreven. Die grote meerderheid komt niet ver, want 92 procent van de artsen vindt niet dat iedereen recht heeft op alle medische ingrepen.

Deze gegevens komen uit een NIPO-enquête onder ruim 1.000 Nederlanders en 250 huisartsen, in opdracht van het Nederlands Huisartsen Genootschap. De resultaten staan in het gisteren verschenen julinummer van het tijdschrijft Huisarts en Wetenschap. Uit de enquête blijken grote verschillen tussen wensen in de bevolking ten aanzien van medische ingrepen en de aanpak die de arts kiest. Ook komt uit de enquête dat artsen gewone ziekten vaak heel anders behandelen dan de 'leken' denken.

Mogen kinderen met koorts naar buiten? 83 procent van de huisartsen vindt van wel, 71 procent van de niet-artsen vindt van niet. Hoge koorts moet worden verlaagd, vindt 66 procent van de burgers, maar slechts 5 procent van de artsen geeft een koortsonderdrukkend middel. Eenderde van de ondervraagden heeft er een hekel aan als de arts klachten aan psychologische oorzaken wijt. Ze voelen zich dan niet serieus genomen. De ideale huisarts vraagt, volgens de geënqueterden, snel laboratoriumonderzoek aan, is terughoudend met medicijnrecepten en met verwijzingen naar de specialist, betrekt de patiënt bij beslissingen en is gul met verwijsbriefjes voor de fysiotherapeut.

De resultaten van de NIPO-enquête tonen aan dat artsen en patiënten vaak verschillende verwachtingen koesteren over de uitkomst van een medisch consult. Ze vormen daarmee een mogelijke verklaring voor het hoge percentage ontevreden patiënten uit een enquête, waarvan de Consumentengids eerder deze week de uitkomsten publiceerde. Bijna een kwart van de 2.254 ondervraagde chronisch zieken gaf daarin aan ontevreden te zijn over het laatste bezoek aan een alternatieve genezer. Huisartsen en specialisten, samen de reguliere artsen vormend, hadden 15 procent ontevreden patiënten.

Pagina 3: Patiënt en arts verschillen in verwachtingen

Uitgesplitst naar categorieën alternatieve en reguliere genezers scoorden de medische specialisten het best: 81 procent tevreden patiënten. Over de tot het alternatieve circuit gerekende 'krakers', de therapeuten die vaak met enig geweld wervelkolommen recht zetten en zo pijn verdrijven, was 78 procent van de patiënten tevreden. De huisarts kwam op de derde plaats en scoorde 69 procent tevreden bezoekers. Homeopaten, antroposofische artsen, natuurbehandelaars en paranormale behandelaars scoorden tussen de 56 en 61 procent tevreden klanten. Onderzoekers van de Leidse universiteit werken de enquêteresultaten nog verder uit.

Tevredenheidsonderzoek onder patiënten is een van de twee manieren om het werk van artsen en therapeuten te beoordelen. De andere methode is om te kijken of de patiënt genezen is en of de arts in de ogen van vakgenoten voldoende kwaliteit heeft geleverd. Tussen tevredenheid van de patiënt en het oordeel van vakgenoten bestaat geen duidelijk verband, concludeerde J. Benzing in haar proefschrift 'Doctor-patient communication and the quality of care', waarop ze in 1991 promoveerde. De NIPO-enquête licht een tipje van de sluier op over de oorzaak van ontevredenheid: er bestaat een groot verschil in verwachtingspatroon tussen patiënten en artsen. En in de spreekkamer botsen de meningen.

Binnen de medische sociologie en psychologie is al veel onderzoek gedaan naar de arts-patiënt relatie. De Nijmeegse hoogleraar J.M.G. Persoon schrijft in een artikel in het boek Medische Sociologie (red. C.W. Aakster, Wolters-Noordhoff, 1991) dat sociologen in de jaren vijftig en zestig de arts-patiënt relatie in systeemmodellen beschreven en daarmee vooral een ordelijke en rationele indruk gaven. In de jaren zeventig kwam het interactiemodel in zwang waarmee kon worden verklaard waarom het zo vaak misgaat tussen patiënt en arts.

De patiënt gaat meestal met twee emoties naar een arts: onzekerheid (wat is er aan de hand?) en angst (kan er iets aan gedaan worden? ga ik nu dood?). Ook kan er een maatschappelijk belang zijn om als zieke te worden erkend (ziektewet, WAO, 'recht' op verzorging). Kenmerkend voor de arts is dat hij door de maatschappij is aangewezen als de enige die hulp of uitkomst kan bieden. De patiënt heeft vaak zulke hooggespannen verwachtingen van een consult (de arts is de enige die hem beter kan maken, of de ziekte kan erkennen) dat de arts daar onmogelijk aan kan voldoen.

In een individueel contact kan dit snel tot ontevredenheid leiden. Toch zijn de meeste patiënten tevreden, omdat ze met een gevoel van opluchting de spreekkamer verlaten: de meeste mensen hebben hun dodelijke ziekte nog niet. De arts kan vaak een geruststellende mededeling doen, want de meeste ziekten gaan zonder ingrijpen van een arts over, en de meeste patiënten komen naar de dokter als de symptomen op hun hoogtepunt zijn. Dus na verlaten van de spreekkamer gaat het meestal al beter. Cynici beweren wel dat dit eeuwenlang de artsenstand voor uitsterven heeft behoed en nu deels de populariteit van de alternatieve geneeswijzen verklaart. Huisartsonderzoekers die zich tegenwoordig met de tevredenheid van de patiënt bezighouden leggen er in hun conclusies vaak de nadruk op dat vooral de communicatie tussen arts en patiënt moet verbeteren om tevredener patiënten te krijgen. Opvallend aan de enquête van de Consumentenbond is dat de twee disciplines die meestal 'echt iets doen' (specialisten en krakers) de hoogste tevredenheidsscore halen, terwijl binnen de de alternatieve sector de therapie van de krakers waarschijnlijk de beste werkzaamheid heeft.

    • Wim Köhler