'Voor VN kwam aanval onverwachts'; VN-stafofficier kolonel De Jonge over de val van Srebrenica

ZAGREB, 27 JULI. Nederland heeft in Srebrenica gedaan wat het kon. “Méér zat er niet in, militair hebben we onszelf helemaal niets te verwijten”, zegt kolonel jhr. J.H. de Jonge, een van de hoogste Nederlandse officieren op het VN-hoofdkwartier in Zagreb. 'Geslaagd' wil De Jonge de operatie in de enclave echter niet noemen. “Dat zou bij de buitenwereld verkeerd overkomen. Het is natuurlijk afschuwelijk dat we na de val van Srebrenica uiteindelijk duizenden mensen van A naar B hebben moeten brengen. Maar op militair gebied heeft Nederland het maximale gedaan.”

Generaal Mladic van de Bosnische Serviërs kan naar de inschatting van De Jonge nooit het gevoel hebben gehad met doetjes te maken hebben gehad. “Als algemene VN-medewerker zie ik Nederlanders die groot en blond zijn en die in het bezit zijn van goede, maar lichte wapens. Daar is op zich zelf niets mis mee. In Nederland moeten we niet vergeten dat de Engelsen in Gorazde zich onder druk uit hun observatieposten hebben laten zetten. Het Britse beroepsbataljon zit nu al twee maanden in een kazerne en kan zijn taak niet uitvoeren.”

De kolonel keert morgen huiswaarts, zijn vredesmissie zit erop. De Jonge voegt zich weer bij de staf van het gezamenlijke Nederlands-Duitse legerkorps in Münster. Als topadviseur van de Franse UNPROFOR-commandant generaal Janvier heeft hij de afgelopen vijf maanden het complexe duel tussen de wereldgemeenschap en met name de Bosnische Serviërs van zeer nabij meegemaakt.

De Jonge heeft veel lof voor de “dappere” opstelling van de Nederlandse regering. “Nederland heeft hier in het hoofdkwartier enorm hoge ogen gegooid. Hoe vaak we wel niet hebben meegemaakt dat regeringen, premiers of defensieministers van andere landen op het besluitvormingsproces inhakten! Den Haag heeft het zeer correct gespeeld. Toen minister Voorhoeve de derde luchtaanval op Mladic afblies, werd dat hier voor de volle honderd procent geaccepteerd. En was er geen discussie, geen verbittering over.”

De bewering van de Franse minister van buitenlandse zaken, Hervé de Charette, dat Dutchbat de enclave uit handen heeft gegeven, viel in Zagreb zeer slecht. “Elke morgen zitten we hier met de top bij elkaar, onder voorzitterschap van Akashi en in aanwezigheid van Janvier. Na de uitlatingen van De Charrette ging er verbazing en verontwaardiging door de vergadering heen. Iedereen baalde ervan. Ik was verbitterd.”

De aanval op Srebrenica kwam voor de VN-vredesmacht onverwachts, schetst De Jonge. Er waren noch politieke, noch militaire aanwijzingen voor een offensief. “Als peace keeping organisatie hebben we geen moderne intelligence assets mee naar binnen mogen brengen. Daardoor bleven we in het ongewisse over grootscheepse troepenbewegingen van de Serviërs. Bovendien waren er geen politieke uitspraken van Karadzic en Mladic die zoiets aankondigden. In Kroatië zijn er nu wel voortekenen van een groot offensief.”

De vraag waarom Mladic juist nú de enclaves, met Srebrenica voorop, heeft aangevallen fascineert ook De Jonge. “Er gaan geruchten over afspraken tussen de troepen van Mladic en moslim-leider Oric. Oric was een paar weken voor de val opeens verdwenen naar Tuzla. Het zou te maken hebben gehad met de zwarte markt, met geld. Afgesproken werk dus. Ik val die analyse niet bij. Aan de andere kant gebeuren er in dit theater meer rare dingen tussen de diverse partijen.”

“Ik denk dat Mladic een verduiveld goed inzicht heeft in wat UNPROFOR en de moslims kunnen. Hij weet wat de spirit is en welke militaire tegenstand hij kan verwachten. Hij heeft ongetwijfeld in beschouwing genomen dat het grootste deel van de mannen en vrouwen in de enclave al displaced persons waren. En als je vluchteling bent, ben je mogelijk minder gemotiveerd om je grond te verdedigen dan wanneer het om je eigen huis en haard gaat.”

De verovering van Screbrenica was min of meer een sluipend proces, reconstrueert De Jonge. De VN-leiding schatte telkens in dat de troepen van Mladic niet verder zouden gaan. Dat maakte de afweging of er luchtsteun gegeven moest worden zeer lastig.

Op zaterdag 8 juli kwam de inzet van NAVO-toestellen voor het eerst aan de orde. Overste Karremans liet vanuit Srebrenica weten behoefte te hebben aan close air support. Op dat moment trok Dutchbat zich al uit een observatiepost terug; bij deze actie sneuvelde soldaat Van Renssen door een granaat van een moslimstrijder die de Nederlanders wilde dwingen hun posities te behouden.

“Twee uur later werden twee andere observatieposten door de Serviërs omsingeld en door hen geneutraliseerd. Toen dachten wij hier nog steeds: het is een relatief beperkte actie. We hadden geen indicatoren dat een veel grotere macht zich aan het samentrekken was om de enclave binnen te vallen.”

De inschatting dat de aanval nog wel mee zou vallen, was voor generaal Janvier reden om geen handtekening te zetten onder de schriftelijke release authority. “De VN wil ontzettend zorgvuldig optreden als peace keepers. We zijn aan veel meer rules of engagement gebonden dan in een grote, dikke oorlog.” Die zaterdag lieten zich wel NAVO-vliegtuigen boven de enclave zien; het betrof toestellen die aan het trainen waren. “Daar ligt Mladic niet zo van wakker.”

Ook de volgende dag, op zondag 9 juli, besprak de staf in Zagreb de mogelijkheid van luchtsteun. Er was contact tussen opperbevelhebber Janvier, de NAVO en Akashi. “Maar de troepen van Mladic bleven in de zuidoostpunt van de enclave hangen; de aanval zette niet door. Om 2 uur 's nachts had Karremans gemeld: 'de zaak lijkt zich te stabiliseren'. Dat betekende dat niet alleen wij het idee hadden dat het om een lokale activiteit ging, maar ook de overste Karremans zelf. De VN probeert luchtaanvallen zoveel mogelijk te vermijden, omdat elke aanval consequenties heeft op de grond. Tot nu toe heeft Mladic steeds hard gereageerd op aanvallen met vliegtuigen.”

“Op zondagmiddag telde zeer zwaar mee wat voor consequenties luchtaanvallen zouden hebben voor de onderhandelingspositie van VN-bemiddelaar Carl Bildt. Hij was bezig met de laatste poging om aan de onderhandelingstafel tot een oplossing te komen. Dat wilden we niet verstoren.”

Toen Mladic aan het einde van de zondagmiddag toch verder optrok, droeg Zagreb Dutchbat op om een zogeheten blocking position in te nemen met zes YPR-pantserwagens. “We zeiden: Als we blijven terugvallen op woorden, zonder dat we iets doen, is in een mum van tijd de hele enclave opgerold. En dan hebben we niet voldaan aan ons mandaat. Wij hebben een mandaat om de burgerbevolking te beveiligen, to protect the civilian population. Het is dus nooit de bedoeling geweest om de eclave als grondgebied te verdedigen. Dan hadden we er met hele andere middelen in moeten gaan. We kregen via radiocontact relatief gunstige berichten over de Nederlanders die in BSA-handen (Bosnian Servian Army - red.) waren gevallen. Ze werden goed behandeld, dat was voor de afweging van de luchtaanvallen ook van belang.”

Janvier stelde die zondag de Bosnische Serviërs een ultimatum dat ze niet verder meer naar voren mochten. “Grote paniekberichten bleven die dag uit”, aldus De Jonge.

Maandagmorgen 10 juli bleef het betrekkelijk rustig, aan het einde van de middag deden de troepen van Mladic met circa honderd man infanterie en twee tanks een aanval op de Nederlandse blocking position. Na een vuurgevecht van ruim een half uur trokken de aanvallers zich terug. “Vliegtuigen er op afsturen had gezien de reactietijd op dat moment geen zin meer.” De hele maandagavond bleef de staf in Zagreb bijeen. Opperbevelhebber Janvier wees uiteindelijk close air support af, omdat het directe gevaar geweken was en de Nederlandse linie met YPR's nog steeds intact was.

De Franse generaal legde daarbij het advies van stafleden die wel voor luchtaanvallen voelden, naast zich neer. Tot die groep behoorde ook de Nederlander De Jonge. “Mijn verhaal was: Generaal Janvier, u heeft zondagavond een ultimatum gesteld. U verliest uw credibility wanneer u nu niet alsnog close air support er tegenaan gooit. De mannen van Mladic waren ondanks het ultimatum verder naar voren gekomen, maar door de Nederlanders teruggeslagen. Als je je geloofwaardigheid bij generaal Mladic niet wil verliezen, moet je tot actie overgaan.”

De Jonge: “Ik heb daar geen hard feelings over. Janvier moest de knoop doorhakken. Dat voelt heel anders aan dan dat je als relatief ontspannen stafofficier de zaak rustig op een rij kan zetten, maar geen eindverantwoordelijkheid draagt. Uiteindelijk kwam de luchtaanval toch, omdat op dinsdagochtend duidelijk werd dat het niet meer ging om zestig BSA-soldaten en een verdwaalde tank, maar om een grootscheepse aanval. De enclave dreigde onder de voet te worden gelopen.”

Mladic wilde ten koste van alles voorkomen dat de Nederlandse UNPROFOR-militairen verliezen zouden lijden, zegt De Jonge. “Het was voor die jongens verdomd makkelijk geweest om hun tanks naar voren te halen, een of twee YPR's van ons uit te schakelen en gewoon door te gaan. Ze hebben zich teruggetrokken, zich gehergroepeerd en zijn vervolgens om de blocking position heen gegaan, richting Srebrenica. Dat mag je die Nederlanders niet verwijten met hun zes YPR's. Een peace keeping club is opgeleid om observatieposten te bemannen en patrouille te lopen. Als militair zeg ik: ondanks de val van Srebrenica hebben we het goed gedaan.”