Minister Wijers moet sommige kartels ontzien

Nadat staatssecretaris Yvonne van Rooy in het vorige kabinet de aftrap heeft gegeven, gaat minister Wijers van economische zaken het werk afmaken: er komt een verbod op kartels. Nederland heeft er daarvan nogal wat - wie wel eens in een supermarkt rondloopt kan dat zelf vaststellen. De prijzen van hele schappen waspoeders, margarines, candybars, afwasmiddelen, zoutjes en wat al niet, hebben vaak tot op de afgeschafte cent dezelfde prijs, of ze nu wel of niet van dezelfde fabrikant komen. Het is duidelijk dat onderlinge prijsafspraken en marktverdeling de vrije concurrentie om zeep helpen en de consument in zijn portemonnee treffen.

Anti-kartelwetgeving is dus zonder meer in het belang van de consument en bovendien sluit Nederland daarmee ook beter aan op de wetgeving in de andere landen van de Europese Unie. De bescherming van consumenten tegen eventueel machtsmisbruik van ondernemers staat al in het oprichtingsverdrag van de Europese Gemeenschap (1957). Artikel 85 en 86 van dat verdrag verbieden alle overeenkomsten tussen ondernemingen die de handel tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden en die vrije concurrentie verhinderen, beperken of vervalsen. Een uitzondering wordt gemaakt voor concurrentiebeperking die 'in het belang van de economische vooruitgang' is.

Maar dat verdrag regelt de omgangsvormen tussen de lidstaten onderling, en niet binnen Nederland. Daarvoor geldt vanaf 1956 de Wet op de Economische Mededinging. Die wet verbiedt afspraken tussen ondernemingen als die neerkomen op machtsmisbruik, of in strijd zijn met het algemeen belang. Bedrijven zijn bovendien verplicht samenwerkingsovereenkomsten aan te melden bij het ministerie van economische zaken, dat er zonodig een stokje voor kan steken. In de praktijk worden die afspraken liever niet gemeld en voor zover dit wel gebeurt worden ze zelden onderzocht op machtsmisbruik. Er wordt volstaan met de registratie in een Kartelregister. De Nederlandse praktijk is lakser dan die in andere landen van de Europese Unie. Aanscherping kan dus geen kwaad, niet alleen van de wet maar vooral van de controle op de naleving.

Toch zou Nederland niet precies op het kompas van de Europese Unie moeten varen, want sommige kartels zijn goed voor de consument. Die kan de minister dus maar beter ontzien. In de eerste plaats zijn dat de vrijwillige filiaalbedrijven. In een artikel op 8 juli in Het Parool wees de econoom Pen er op, dat het hele vrijwillige filiaalbedrijf door de nieuwe kartelwetgeving in haar voortbestaan wordt bedreigd. Daaronder veel buurtwinkeltjes, zoals kruidenier Bennink op de hoek van de Harense Molenstraat in Groningen, een bij het 4=6-kartel aangesloten tweemanszaak waar de professor nu en dan langsfietst voor een zak Croky chips. Pen stelt vast dat Bennink en zijn soortgenoten wel onder de anti-kartelwet komen te vallen, en Albert Heijn niet. Dat komt doordat Albert Heijn een onderneming met filialen is, terwijl 4=6 een club is van zelfstandigen die op verschillende manieren samenwerken - meestal niet in het nadeel maar juist in het voordeel van de consument. De dorpswinkeltjes zullen het nog moeilijk krijgen als de nieuwe wet zou verhinderen dat ze hun kosten drukken door sommige activiteiten te bundelen.

Behalve de kartelletjes van het vrijwillig filiaalbedrijf en de franchise-ketens zijn er nog andere die beter kunnen blijven. Dat zijn de kartels die homogene produkten verkopen. Dat soort produkten lijkt zo sterk op elkaar dat de fabrikanten eigenlijk alleen maar op de prijs kunnen concurreren. Verschillende soorten shampoo, om maar eens iets te noemen, kunnen elkaar beconcurreren op van alles en nog wat: geur, verpakking, imago, Ph-graad, schuimgraad, glanswerking, ingebouwde cremespoeling, anti-vet, anti-droog, anti-roos, anti-kaal, wel-of-niet dermatologisch getest, met of zonder proefdieren, en de prijs. Maar niet alle produkten hebben zo luxueus veel concurrentie-aspecten. Benzine, olie, en granen bijvoorbeeld, zijn nauwelijks van elkaar te onderscheiden. Het is een knappe consument die aan een liter benzine kan merken of deze uit een pomp van Esso of van Shell is getapt, of aan een bosje peterselie proeft of het in Zuid-Holland of in Zuid-Frankrijk werd gekweekt. Dat soort produkten kan vrijwel alleen op de prijs concurreren en dat heeft interessante consequenties.

In het begin van de jaren tachtig heeft de beroemde Franse econoom J. Bertrand die consequenties geanalyseerd in een Alles-Of-Niets-model. Dit model, dat een heel realistisch beeld van de werkelijkheid geeft, laat zien hoe zuivere prijsconcurrentie in identieke produkten leidt tot een 'winner takes all'-situatie: in een onvermijdelijk haasje-over van beurtelingse prijsonderbieding verovert de fabrikant die het eerst op de laagst mogelijke prijs uitkomt de hele markt. De rest gaat failliet. De conclusie is dat kartelvorming, voor ondernemers die een vrijwel identiek produkt aan de man brengen, vaak de enige manier van overleven is. Volgens Bertrands theorie leidt de afschaffing van dit soort kartels overigens niet alleen tot monopolievorming en faillissementen, maar ook tot een zo laag mogelijke prijs voor de consument. De einduitkomst van deze concurrentieslag is namelijk dat de consument - althans voorlopig - precies hetzelfde betaalt als bij vrije concurrentie.

Toch is de consument op de langere termijn ongetwijfeld slechter af met een verbod op dit soort kartels. In de eerste plaats draait hij of zij in de vorm van sociale premies ook voor kortere of langere tijd op voor de kosten van de uitgestoten werkgelegenheid bij de failliete kartelleden. Die kosten vervallen pas als de werklozen weer een baan vinden. Het is de vraag of het voordeel van een lagere prijs daar tegenop weegt. Bovendien kan de monopolist, nu de kartelpartners eenmaal uit de weg zijn geruimd, zijn prijs gemakkelijk weer verhogen tot het oude niveau. Hij zou geen goede ondernemer zijn als hij dat niet deed. En dan betaalt de consument dubbel.

Dus als de minister het beste voor heeft met de portemonnee van de consument zou hij de Pen-kartels en de Bertrand-kartels buiten schot moeten laten.