Koloniaal museum is geen luchtkasteel

Onlangs bepleitte de historicus Harm Stevens in NRC Handelsblad de oprichting van een museum waarin het koloniale verleden van Nederland wordt belicht (22 juni). Hij stelde terecht dat de bestaande instituten die aandacht besteden aan dit aspect van het nationale verleden tekortschieten als volwaardige musea over dit onderwerp. Waar instituten als het Tropenmuseum en het Museum voor Volkenkunde in Leiden hun horizon hebben verbreed, houden de kleinere instellingen zich vast aan hun specialisme. Dit blijft echter niet zonder gevolgen. Instellingen als Museum Bronbeek en het Moluks Historisch Museum leiden een bestaan in de museale marge, het Surinaams Historisch Museum ging enkele jaren geleden roemloos ten onder.

Stevens acht het opzetten van een collectie die aandacht besteedt aan het koloniale verleden van belang voor de volledigheid van de museale variëteit in Nederland. Bovendien stelt hij dat de verwerking van het verleden gebaat zou zijn bij een dergelijk instituut. Hij besteedt echter - misschien wijselijk - geen aandacht aan de praktische aspecten van zijn voorstel. Men moet zich allereerst afvragen of de publieke belangstelling in Nederland groot genoeg is om de oprichting van een koloniaal museum te rechtvaardigen. Terecht wijst Stevens op een eenzijdige kennis van het koloniale verleden. De nationale herinnering lijkt vooralsnog alleen gestalte te kunnen krijgen in twee uitersten: extreme trots enerzijds tegenover een extreem schaamtegevoel anderzijds.

Hoe dan ook, dit geeft aan dat het koloniale verleden wel degelijk deel uitmaakt van de nationale herinnering. Het is zeker niet zo dat de interesse in dit deel van het vaderlandse verleden na de dekolonisatie is weggeëbd. Herdenkingen van ijkpunten uit het koloniale verleden, zoals de vierhonderdste verjaardag van de eerste Hollandse Indiëvaart, vinden nog steeds plaats. Het belang hiervan is duidelijk. Regelmatige herdenkingen vormen immers de polsslag van de historische belangstelling. Als er niet meer wordt herdacht, is de patiënt overleden. Met name 'Indië' is nog steeds zeer diep in de Nederlandse samenleving geworteld. De niet-Indische exponent van het koloniale verleden lijkt iets minder in de belangstelling te staan, maar in het algemeen is de stelling dat er een brede interesse voor het koloniale verleden bestaat, onloochenbaar. Wat dat betreft lijkt een initiatief tot het oprichten van een koloniaal museum zeker levensvatbaar.

Een voor de hand liggende reden om een dergelijk initiatief echter geen doorgang te laten vinden is geldgebrek. Het budget van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen staat onder grote druk en nu al verdringen de beheerders van bestaande collecties zich om de te kleine ruif van staatssecretaris Nuis. Toch kan geldgebrek, in een periode waarin nieuwe museumgebouwen als paddestoelen uit de grond vliegen, niet gelden als een overtuigende reden voor het afkeuren van het plan. Als er geld is voor nieuwe museumgebouwen in Maastricht, Groningen, Rotterdam, Den Bosch en Amstelveen, dan moeten er ook fondsen gevonden kunnen worden voor een historisch museum.

Er zijn echter andere obstakels die de oprichting van een koloniaal museum in de weg staan. Het samenstellen van een collectie kolonialia zal voor de meest serieuze hoofdbrekens zorgen. Veel topstukken bevinden zich immers al in een of andere museumcollectie. Het in bruikleen afstaan van stukken zal niet gemakkelijk te organiseren zijn. Het bewegen van museumdirecties tot het volledig afstaan van dergelijke stukken ten behoeve van een nieuw instituut - dat met de bestaande musea zal gaan concurreren in de strijd om subsidies en bezoekers - zal al helemaal niet eenvoudig zijn.

In Engeland zijn inspanningen voor de herverdeling van de collecties, teneinde de nationale musea een meer herkenbaar karakter te geven, al tientallen jaren vruchteloos gebleken. De ex-directeur van het Victoria & Albert Museum merkte hierover onlangs in The Guardian op dat er geen enkele mate van gemeenschappelijk gevoel tussen de nationale collecties bestaat: “They are all fighting their own patch”. Hoewel de Nederlandse museale instellingen iets minder 'particularistisch' en eigenzinnig worden geleid als in Engeland, is een strakke hand die (zoals in Frankrijk) het beheer van de collecties regelt ook hier afwezig.

Het probleem kan opgelost worden door het invoeren van een gecentraliseerde controle. Er moet iemand zijn die de museumdirecties laat weten dat hun collectie kolonialia wordt ingepakt en ergens anders heen gaat. Een dergelijke strakke hand zou ook de touwtrekkerij moeten voorkomen die in Nederland onvermijdelijk lijkt te zijn over de vraag waar een museum gehuisvest moet worden. Het gehannes tussen Amsterdam en Rotterdam over de vestigingsplaats van het Nederlands Architectuurinstituut ligt nog vers in het geheugen. Ook over de manier van presenteren zal niet te veel moeten worden gediscussieerd. De onlangs in de Volkskrant gevoerde polemiek tussen de aanhangers van de 'behoudende' museumdirecteur J. Vaessen en de Groninger Frans Haks is boeiend, maar een dergelijk spanningsveld tijdens de totstandkoming van een nieuwe opstelling zal slechts tot bloedeloze compromissen leiden.

Gezien de publieke belangstelling kan het initiatief van Stevens, ondanks de obstakels, niet zonder meer worden afgedaan als een luchtkasteel. En is het, na alle nieuwe musea voor kunst en architectuur, nu niet eens de beurt aan een historisch museum? Een dergelijke opzet is echter alleen mogelijk bij een strakke leiding van bovenaf, die bepaalt waar het museum komt, welke stukken er in de collectie worden opgenomen, door welke instellingen die dienen te worden afgestaan, en hoe ze worden gepresenteerd. Zoals men in The Guardian verzuchtte: 'If only we had an enlightened dictator to run things.'