Japanse atoombom haalde het niet

Ook Japan had zijn atoombomproject. Maar het ontbrak het land aan voldoende uranium, industriële capaciteit en organisatievermogen om ook maar in de buurt van een bom te komen.

Science, 13 januari 1978; Bulletin of the Atomic Scientist, november 1962; Dictionnary of Scientific Biography, supplement; The making of the atomic bomb, 1986.

Afgelopen week verklaarde Tatsusaburo Suzuki, een 83-jarige Japanse natuurkundige, dat ook Japan tijdens de Tweede Wereldoorlog een atoombomproject had. Altijd heeft rond het Japanse atoombomproject een sluier van stilte gehangen. Materiaal zou bij luchtaanvallen verloren zijn gegaan.

Toen in 1970 de herinneringen van de betrokken atoomgeleerden (voor zover nog in leven) in het kader van een 'oral history'-project op de band werden vastgelegd, bleek keer op keer dat er schroom bestond er vrijuit over te praten. In de Japanse cultuur ligt besloten dat men niemand in verlegenheid mag brengen. Toen in november 1962 in het Bulletin of the Atomic Scientists een oproep van Amerikaanse wetenschapshistorici verscheen om informatie, was er geen Japanse wetenschapper die reageerde. Daarnaast speelt dat men de morele positie van het land niet wil ondermijnen: de rol van 'enig slachtoffer van atoomwapens' laat zich moeilijk rijmen met de bekentenis dat Japan, als men de Amerikanen voor was geweest, zelf net zo hard atoombommen zou hebben gebruikt.

Het initiatief om tot een atoombom te komen kwam van het Japanse leger. Takeo Yasuda, directeur van het Researchinstituut voor Luchtvaarttechnologie en van huis uit elektrotechnisch ingenieur, had de ontdekking van kernsplijting in de internationale vakliteratuur opgepikt, inclusief het perspectief van een bom, en april 1940 gaf hij zijn assistent Tatsusaburo Suzuki de opdracht een rapport op te stellen. Oktober dat jaar lag het op tafel, met als voornaamste conclusie dat een bom zeer wel haalbaar was en dat het benodigde uranium uit Korea en Birma moest komen. Daarop richtte Yasuda zich tot het Riken laboratorium in Tokio en kreeg Yoshio Nishina, Japans meest vooraanstaande kernfysicus, de opdracht zich met de atoombom bezig te houden.

Nishina was opgeleid in Europa waar hij in de periode 1921-28 onder Rutherford, Heisenberg en vooral Niels Bohr werkte. Zijn Riken-laboratorium ademde de Westerse, informele sfeer die hij als kosmopoliet in Kopenhagen zo had leren waarderen en bood onderdak aan de crème de la crème van de Japanse kernfysica. Met steun van het bedrijfsleven was in Tokio in 1937 het eerste Japanse cyclotron (een type deeltjesversneller) gebouwd en Nishina was druk bezig met de constructie van een nieuw exemplaar dat met zijn magneet van meer dan 200 ton het grootste cyclotron ter wereld moest worden. Vitale onderdelen kwamen uit de Verenigde Staten, waar Ernest Lawrence zich in Berkeley inspande de benodigde toestemming te regelen. Medewerkers van Nishina die op bezoek kwamen voorzag hij van gedetailleerd technisch advies.

Hoge verwachtingen

Zowel de Japanse landmacht als de marine - die gescheiden opereerden en elkaar waar mogelijk dwarszaten - toonden interesse in de atoombom. Op het Riken-laboratorium werden verschillende mogelijkheden van uraniumverrijking onderzocht, waaronder gasdiffusie, elektromagnetische scheiding en de ultracentrifuge-techniek. In de loop van 1942 riep de marine een wetenschappelijke adviescommissie in het leven die moest beslissen of een Japanse atoombom al dan niet haalbaar was. Van december dat jaar tot maart 1943 belegde deze commissie een serie colloquia teneinde een beslissing te forceren. Uitkomst was dat een atoombom haalbaar was maar dat het tien jaar kon duren eer hij beschikbaar kwam. Duitsland noch de Verenigde Staten, zo concludeerden de geleerden, bezat voldoende industriële capaciteit om met dit vernietigingswapen de oorlog nog te kunnen beïnvloeden.

Intussen zette Nishina zijn onderzoek voort. Vooral uit vaderlandsliefde: hij was ervan overtuigd dat Japan met de aanval op Pearl Harbor de ondergang over zichzelf had afgeroepen. Gezien de nationale tekorten besloot Nishina tot gasdiffusie als enige praktisch haalbare verrijkingstechnologie. Net als zijn collega's bij het Manhattan-project wilde Nishina een bom ontwerpen en parallel daaraan splijtstof produceren. Hulp kwam er van Tadashi Takeuchi, een veelbelovend kernfysicus - voor wetenschapshistorici van onschatbare waarde omdat hij een dagboek bijhield.

Op 2 juli 1943 rapporteerde Nishina aan landmachtgeneraal Nobuuji dat hij 'hoge verwachtingen' koesterde. Dat was vooral ingegeven door de hoop zo zijn geliefde cyclotron alsnog in vol bedrijf te kunnen nemen. Het onderzoek op Riken naar gasdiffusie verliep moeizaam: het benodigde uraniumhexafloride (UF) werd via een verouderd, inefficiënt proces gemaakt en tastte door zijn corroderende werking de diffusiezuil aan. In de zomer van 1944 had het team van Nishina nog maar 170 gram UF bij elkaar - op een moment dat het gas in de Verenigde Staten met tonnen tegelijk werd afgeleverd. Bij zijn volgende ontmoeting met Nobuuji op 17 november van dat jaar toonde de de geleerde zich dan ook minder optimistisch. Tegen beter weten in suggereerde hij dat de oplossing van het verrijkingsprobleem 'binnen handbereik' lag. Wellicht wilde Nishina het laboratorium draaiende houden, of hoopte hij jonge onderzoekers weg te houden van het front.

Op 13 april 1945, toen een vloot B-29's Tokio in de as legde, viel het doek voor de Japanse atoombom. In eerste instantie wisten brandweerlieden en atoomgeleerden het houten gebouw waar de gasdiffusie-experimenten plaatsvonden te redden, later vatte het alsnog vlam en brandde tot de grond toe af. Het cyclotron doorstond de ramp wel.

Na de atoombom op Hiroshima werd Nishina gevraagd of hij Japan binnen zes maanden eenzelfde wapen kon leveren. Onbekend is hoe hij antwoordde maar wel nam hij op 8 augustus poolshoogte in de verwoeste stad, om met eigen ogen te zien dat het de Amerikanen wel degelijk was gelukt. Na de oorlog richtte het Riken-laboratorium zich op onderzoek naar de gevolgen van de Hiroshima- en Nagasakibommen. Over een Japans atoombomproject werd tegenover de Amerikaanse ondervragers door Nishina en zijn medewerkers met geen woord gerept. Belastende documenten waren vernietigd en het zou jaren duren eer de waarheid boven tafel kwam. De Japanse atoomgeleerden werden daarom coulant bejegend. Wel verordonneerden de verzamelde chef-stafs op 30 oktober 1945 dat alle relevante apparatuur in beslag moest worden genomen en dat kernfysisch onderzoek niet langer was toegestaan. Terwijl in Amerika de atoomgeleerden na de oorlog een enorme status genoten, gold in Japan het tegenovergestelde. Het Riken-laboratorium werd ontmanteld en natuurkundigen zochten onderdak bij biologie en geneeskunde.

Aan gruzelementen

Met Nishina's cyclotron liep het treurig af. Op 7 november kwam het bevel dat de deeltjesversneller samen met de minder sterke exemplaren in Osaka en Kyoto moest worden vernietigd. (In Kyoto was vanaf 1943 met steun van de marine ook onderzoek naar de atoombom verricht dat niet verder kwam dan een ontwerp voor een ultracentrifuge. In zijn persconferentie van vorige week zei Tatsusaburo Suzuki er te hebben gewerkt.) Toen Amerikaanse officieren Nishina van het vonnis in kennis stelden, was hij gebroken. Zijn levenswerk werd voor zijn ogen aan gruzelementen geslagen waarna de brokstukken in de Baai van Tokio werden gedumpt. In de Verenigde Staten weerklonk luid protest tegen deze 'barbarij', koren op de molen van degenen die atoomenergie liever onder civiel toezicht zagen. Vooral Ernest Lawrence was ziedend. Later spraken de militairen van 'een misverstand' maar er zijn aanwijzingen dat ze wisten dat cyclotrons voor uraniumonderzoek waren gebruikt en daarom tot de verwoesting besloten.

In 1946 bouwde Nishina het Riken-laboratorium weer op. Hij ontpopte zich als een bekwaam bestuurder, klom op tot vice-voorzitter van de Japanse Academie van Wetenschappen en ontving een hoge culturele onderscheiding. In 1951 overleed hij aan leverkanker, 60 jaar oud en zonder ook maar iets van memoires op schrift te hebben gesteld.