In Liefde Bloeyende

HEBBAN OLLA VOGALA...

quid expectamus nunc

abent omnes volucres nidos inceptos nisi ego et tu

hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic

enda thu wat unbidan we nu

(anoniem; eerste kwart van de twaalfde eeuw)

We hebben het een beetje getroffen, met dat eerste zinnetje uit de Nederlandse literatuur. 'Zijn alle vogels aan hun nesten begonnen behalve ik en jij waar wachten we nu op?' Het had ook een ander zinnetje kunnen zijn, zomaar een notitie 'Molenaar, twee zakken meel graag', of 'Het weer is guur, en het is twaalf uur'. En misschien vindt iemand over enige tijd in een Poolse kloosterbibliotheek of achterin een Oekraïense archiefkast wel zo'n stom zinnetje dat ouder blijkt dan deze penneproef - maar nu het nog niet zover is mogen we ons gelukkig prijzen. 't Is een lief ding, dat zinnetje. Het heeft iets naïefs en simpels, en tegelijkertijd blijft het in het geheugen hangen, het prent zich gemakkelijk in, als een unieke formulering: men is, al staat er geen enkele genre-aanduiding bij, onmiddellijk bereid het te herkennen als poëzie.

't Is een beetje een dwingeland, de dichter van dat zinnetje. Hij heeft het over ik en jij en niet hoffelijk over jij en ik. Zijn toon is er een van ongeduld: Wat unbidan we nu? Het klinkt als een salvo na de lange aanloopzin. Waar wachten we nu eigenlijk op? Wat dralen we dan?

Die sfeer van ongeduld draagt hij over op het ontstaan van de Nederlandse poëzie. Want zo zie ik dit gedichtje graag, omlijst door de Latijnse regels: als een kuiken dat uit het ei kruipt, uit de eierschaal van het alomvattende Latijn. De schaal breekt en daar komt het snaveltje van de Nederlandse poëzie naar buiten: fris en nog ietwat schuchter, maar vooral ongeduldig.

't Is maar een fantasietje van me, want de geleerden zijn het er inmiddels over eens dat het Nederlandse zinnetje er eerst stond en dat het Latijn er daarna bij wijze van toelichting omheen is gekrabbeld.

Daar gaat mijn eierschaal-verhaal.

Bovendien is dit natuurlijk niet ons eerste zinnetje, alleen maar het oudste zinnetje dat toevallig bewaard is gebleven en dat ons al even toevallig onder ogen is gekomen - daar in 1933 in de Bodleian Library in Oxford op een schutblad van een uit de benedictijnerabdij van Rochester, Kent, afkomstig boek. De Nederlandse literatuur begint er niet mee, de Nederlandse literatuurgeschiedenis sindsdien wél, totdat iemand over enige tijd in een Poolse of Oekraïense etcetera.

De literaire historici zijn er een halve eeuw mooi druk mee geweest, met dat zinnetje. Er zijn polemieken over gevoerd en theorieën over ontworpen. Het zinnetje kon en mocht gewoon niet zo simpel zijn als het er uitzag.

Voor de een was het niet genoeg dat het een spontaan minnedichtje of de herinnering aan een bestaand minnedichtje zou zijn, nee, het had te maken, daar in het verre Engeland, met het heimwee van een Vlaamse monnik naar het Vlaamse moederhuis. Voor de ander was het weer het verlangen naar het nest van de kloosterwarmte dat zich in dit zinnetje een uitweg probeerde te banen.

Over een mystiek Godsverlangen hadden ze het ook nog kunnen hebben, want 'zelfs vindt de mus een huis, en de zwaluw een nest voor zich, waar zij hare jongen legt, bij uwe altaren, Here der heirscharen, mijn Koning en mijn God', staat er in Psalm 84, vers 4.

Gelukkig hielden de literaire historici het over het algemeen bij het minnedichtje, wat me gezien het feit dat zoveel vogels (allemaal) het met elkaar doen (nestjes bouwen) wel zo verstandig lijkt.

Maar dat maakte geen einde aan de polemiek. Was het Latijn er eerst of het Nederlands? Moesten we het beschouwen als een oorspronkelijk liefdeslied of als de echo van een ouder? Ging het om een romantische gevoelsuitstorting of, gezien de overeenkomst in woordvolgorde en klanken tussen het Latijn en het Nederlands, om een artificieel taalspel? Om een soort Onherstelbaar verbeterd, zal ik maar zeggen, als eerste levensteken van onze literatuur? Tja. Het beste is maar zulke polemieken te vergeten. De tegenstelling tussen gevoelsuitstorting en taalspel, als elkaars antipoden, 't lijkt me een artificiële vinding waarmee een bepaald deel van de Nederlandse literatuurgeschiedenis al te lang heeft geworsteld.

Denk even zoals de monnik denkt. De monnik staat over zijn boek gebogen en probeert zijn pen: de slepende cyclus van routineklusjes. 't Is voorjaar buiten, want de vogels zijn met hun nest bezig. Ook onze kuise monnik krijgt de voorjaarskriebels. In zijn hoofd. 't Werkt daar associatief. Zijn heimelijke gedachte staat, nog voor hij er erg in heeft, op papier. Onbespied en onbewust, zoals dat gaat bij een probatio pennae. De verliefde monnik is dichter geworden.

Lees het zinnetje zoals het er staat. 't Is een drietrapsraket. Eerst de constatering. Alle vogels zijn bezig. Dan de ontkenning, het gemis. Behalve ik en jij. Als derde de ongeduldige vraag, de bijna existentiële vraag. Waar wachten we nondedju nog op? Nu!

Die ritmische en emotionele sequentie, gevat in een metafoor ('ik en jij zijn als vogels'), maakt dat we dit ontglipte, verdwaalde zinnetje geen niemendalletje mogen noemen - het heldere gedachtenbeeld, in een spanningsveld van klanken, maakt het tot literatuur, tot een gedicht, tot lyriek.