Historikerstreit

Oscar van Heffen stelde op 7 juli in deze krant dat Ernst Nolte in de Historikerstreit “door zijn provocerende, maar goed beargumenteerde thesen het debat over de verschillen en overeenkomsten tussen het nationaal-socialisme en het communisme naar een hoger niveau heeft getild.” Dit is buitengewoon opmerkelijk, omdat Noltes bijdrage aan deze verhitte gedachtenwisseling enkel relevant is als contrastvloeistof: Ze duidt een onderscheid tussen historische kennis met en zonder voldoende wetenschappelijk fundament.

Chris Lorenz betoogde overtuigend dat het aanlengen van politieke siroop met wetenschappelijke argumenten een activiteit is waarin historici zich vaker verslikken. Maar bij Nolte bleek de verhouding tussen politiek en wetenschap volledig zoek. Van Heffens stelling verdient dus geen bijval.

Nolte forceerde met de term 'vernietigingstherapie' een overeenkomst tussen nationaal-socialisme en communisme. De suggestie van een heilzame werking van genocide is zo afstotelijk dat het niet voorstelbaar is dat Van Heffen haar als typering accepteert. Gelooft hij werkelijk dat Stalin door moord een heilstaat wilde stichten? In elk geval maakt Van Heffen gelukkig bezwaar tegen deze karakterisering van het nationaal-socialisme. Dat was eerder een 'religie waarvan gelovige mensen meenden dat de eindstrijd was aangebroken'. Van Heffen vaart zo echter wel vanuit de ene gevarenzone de andere in. De metaforen therapie en religie vertroebelen hier en dat is niet Van Heffens bedoeling.

Nederlandse historici houden zich bezig met zwarte bladzijden uit de vaderlandse geschiedenis en proberen daarbij over valkuilen, die de Historikerstreit blootlegde, heen te springen. Dat is verstandig en heeft niets te maken met een gebrek aan moed om over moeilijke themata als Koloniale Oorlogen of nationaal-socialisme op eigen bodem te spreken, zoals van Heffen meent.