De kantoortuin is slecht voor je brein

Japke-d. vraagt door sprak een hoogleraar die de kantoortuin wil afschaffen. “Als je écht geconcentreerd moet werken, is de kantoortuin de hel.”

Illustratie Tomas Schats

Ik zeg het al jaren: de open kantoortuin is de hel, maar af en toe zijn er ook verstandige mensen die dat zeggen. Afgelopen vrijdag weer. Toen verscheen in NRC het opinie-artikel ‘Concentratie graag! Schaf de kantoortuin af’ van hoogleraar cognitieve psychologie aan de Universiteit Utrecht, Stefan van der Stigchel.

Aanleiding was zijn boek Concentratie, waarin hij schrijft dat we in de open kantoortuin zo vaak worden afgeleid door telefoontjes, geklets en openstaande chatschermen, dat ons werk er oppervlakkiger van wordt. Ik mocht hem bellen.

Vind jij de open kantoortuin ook de hel?

„Dat ligt heel erg aan de situatie. Je kunt er heerlijk even je mailtjes beantwoorden, of in je agenda bladeren, maar inderdaad: als je écht geconcentreerd moet werken, is de kantoortuin de hel. Er hoeft maar één prikkel te zijn, en je bent alweer afgeleid. Als dat vaak gebeurt, gaat je werk daaronder lijden.”

Dat komt, zo legt Van der Sitgchel in zijn boek uit, doordat je brein maar één taak tegelijk geconcentreerd kan uitvoeren – multitasken bestaat niet, hoeveel mensen ook zeggen dat ze het kunnen. Vraagt een collega bijvoorbeeld iets aan je terwijl je net aan het schrijven was, dan moet je brein zich eerst even ‘opruimen’: van de schrijfstand naar de praatstand. Helaas kost dat steeds even tijd en energie, net als het opruimen van je huis.

Maar je krijgt ook stress als je voortdurend moet wisselen van taken, zegt Van der Stigchel. „Vergelijk het met mensen die voortdurend op je deur kloppen. De derde keer reageer je echt niet meer vriendelijk. Zo werkt het ook met je brein: het wordt overprikkeld.”

Ik vind het heel moeilijk om mijn brein rust te geven.

„Is ook lastig! Ik heb veel biografieën gelezen van genieën, en zij hebben daar allerlei rituelen voor. Ze tellen bijvoorbeeld het aantal koffiebonen in hun machine, of gaan wandelen.”

Niet dat ik een genie ben, maar ik heb dat met douchen.

„Dat is ook een hele bekende! Ik ga zelf altijd mijn cd’s op volgorde leggen. Je kunt ook muziek luisteren die je al 1.000 keer gehoord hebt. Als het maar iets is wat je op de automatische piloot kan doen.”

Op kantoor kun je niet douchen, of je cd’s op volgorde leggen. Of de katten aaien.

„Nee, maar daar kun je wel even naar buiten, het liefst de natuur in. Want door een drukke stad lopen geeft ook weer allemaal prikkels die je bewust moet verwerken. Naar plaatjes van de natuur kijken werkt ook goed. Ik ken ook mensen die gaan roken om steeds even weg te kunnen lopen.”

Hè ja, goeie tip: begin met roken.

„Haha, nee hè? Ook slecht voor het brein.”

Lunchvergaderen is ook slecht, schrijf je.

„Ja, enorm! Gun mensen in hun pauze ook écht pauze.”

Maar wat je écht niet moet doen, als je je brein rust wil geven, en dat weten we allemaal allang, is op je telefoon kijken. Van der Stigchel gelooft niet dat we dommer worden van onze telefoon, of dat onze aandachtsspanne erdoor afneemt, „daar is althans nog steeds geen hard, wetenschappelijk bewijs voor”, maar je telefoon houdt je brein juist aan de gang én vermindert je concentratie door al die korte filmpjes, tekstjes en plaatjes – allemaal korte prikkels.

Maar jouw beste suggestie voor meer concentratie vond ik: ‘schaf de kantoortuin af!’

„Haha ja, ik wist dat jij me zou bellen toen ik dat schreef.”

Dat gaat toch nooit lukken? Ik hoor het in ieder geval nooit een werkgever zeggen: ‘we hebben ons vergist, weg met de kantoortuin’.

„Logisch, het is veel goedkoper om meer mensen bij elkaar te zetten.”

Hoe krijgen we dán die kantoortuin de wereld uit?

„Hoho, ik ben een wetenschapper, geen actievoerder, dat moeten anderen maar verzinnen. Ik vind wél dat werkgevers daarin veel meer verantwoordelijkheid zouden moeten nemen. Het hoeft overigens niet eens zo drastisch. Je kan ook al veel verbeteren door op kantoor stiltezones te maken, meer werkcellen, of betere afspraken tussen collega’s.

„En schaf de ‘altijd-bereikbaar-zijn-cultuur’ af, die veel werkgevers propageren. Collega’s die snel op klanten of collega’s reageren, krijgen complimenten en worden als betrouwbaarder gezien dan collega’s die zich afsluiten. Dat is eigenlijk heel stom, want het zijn vaak juist de werknemers die af en toe onbereikbaar zijn, die geconcentreerder werken.”

Gun iedereen af en toe een ivoren toren.

„Ha, ja. Ik noem dat in mijn boek ‘een zolderkamer’. Daar komt vaak het beste werk vandaan.”

Jeuktweets van de week