Een barbecue met baklava

Gevulde wijnbladeren, pilafrijst, börek, en een goeie Kavalidere. Een beschutte plek in het park. Familie, buren, vrienden. Tric-trac. Voilà, de ingrediënten voor een perfecte Turkse picknick.

Op een lieftallig veldje aan de westzijde van het Amsterdamse Bos, niet ver van het vogeleiland en aan de kop van een bulderbaan, is de favoriete barbecueplaats van Zeki Öztürk. Iedere zomerse zondag laadt hij, mits hij niet met vakantie naar Turkije is, rond het middaguur zijn auto vol familie, vrienden en etenswaren en in twee ritjes gaat het van de verstikkende Hasebroekstraat in de Amsterdamse Kinkerbuurt naar het weldadige groen van het Bos. “Ik kom hier om te ontspannen”, zegt de amicale kok terwijl de zoveelste Airbus of Jumbo met majestueus kabaal overscheert. “In Turkije is het 's zondags optrekken met je familie een verplichting, hier doe ik het voor mijn plezier.”

Zeki - sinds 27 jaar in Nederland - heeft vandaag behalve zijn Colombiaanse vrouw en tweejarig zoontje ook een neef van verderop uit de straat meegenomen: Orhan met vrouw en vijf kinderen. Het Nederlands beheerst Orhan matig en zijn vrouw, die een witte hoofddoek draagt, spreekt hij onverminderd aan met avrat, een plattelandsterm.

Het beschutte veldje is een van de aangewezen barbecueplaatsen in het Amsterdamse Bos. Afgezien van een groepje Zuidamerikanen met gitaar en twee bejaarde Nederlandse stellen, zijn het Turkse families die zich hier hebben neergevlijd. De auto staat vlakbij, essentieel gezien de vracht voedsel die op bontgekleurde kleden staat uitgestald. Sinds de weg langs de Bosbaan voor auto's is afgesloten, rijdt Zeki om via Amstelveen. Vroeger ging hij weleens naar Halfweg maar het lawaai van de ghettoblasters daar werd hem teveel.

“Geef je bord nog eens aan”, zegt Zeki. Na de olijven, de gevulde wijnbladeren en de zelfgemaakte börek (bladerdeeg met spinazie en kaas) van daarnet is het tijd de draad weer op te pakken. Uit een blauwgemarmerde emaille pan met ouderwetse afmetingen schept hij pilafrijst op, geel van de saffraan en met stukjes gekookte kip erin. Daarbij serveert hij een salade van tomaat, komkommer, uien en tursu van zachtzuur ingemaakte kool. Alles thuis gemaakt. Bij ontstentenis van raki, de Turkse anijslikeur die met water wordt aangelengd, drinken de mannen er een kopstoot bij. Daarnaast veel witte wijn, niet de gewone Buzbag of Villa Doluca die hier in Turkse restaurants wordt geschonken maar de veel lekkerder Kavalidere en Yakup.

Terwijl het kroost met een bal speelt en de blonde helft van Orhans tweeling zich aan rozijntjes te goed doet, liggen de volwassenen loom op hun zij, het oog gericht op de buren. Dat zijn drie vrouwen in salvar, de wijde pofbroek van het Turkse platteland. Ze zijn in gezelschap van opgeschoten kinderen en hebben een authentieke çaydanlik staan, een waterketel met daarop een bijpassende theepot.

Een barbecue heeft Zeki deze keer niet meegenomen. “Meestal doe ik dat wel, in mijn auto heb ik een koelkastje staan waarin ik dan koteletjes stop, geen köfte zoals die lui daarginds want bij warm weer is gekruid gehakt vragen om moeilijkheden.” En hij wijst naar de familie aan de overzijde van het veld. Onder het bladerdak van een kastanjeboom spelen Turkse mannen een traditioneel spelletje tric-trac. Op eerbiedige afstand rollen hun gesluierde vrouwen de köfte en strooien vers houtskool op het vuur. Heerlijke geuren nemen bezit van het veld.

Tijd voor de watermeloen, sappig en heerlijk zoet. “Gekocht in de supermarkt”, zegt Zeki, “dat is goedkoper dan bij de Turkse kruidenier.”

Uit de tas selecteert hij een fors exemplaar, klieft hem in stukken en deelt rond. Straks is er nog baklava, een mierzoet nagerecht. Maar nu is het tijd ons in het gras uit te strekken en eens lekker te suffen.

    • Dirk van Delft
    • Petra de Bruijn