Echte vrijheid valt in Birma voorlopig niet te verwachten

Optimisten in Rangoon hopen na de vrijlating van de Birmese oppositieleider Aung San Suu Kyi op een Zuidafrikaans scenario, waarbij de militaire dictatuur de macht overdraagt aan de democratische oppositie. Volgens Floris van Straaten is deze ontwikkeling echter niet te verwachten. In Birma ontbreekt een De Klerk.

De Birmese oppositieleider Aung San Suu Kyi is na zes jaar huisarrest eindelijk vrij. Vrij voor zover daar in een militaire dictatuur sprake van kan zijn. Voor Suu Kyi maar meer nog voor haar minder beroemde aanhangers blijft grote behoedzaamheid geboden. Niets wijst er vooralsnog op dat de generaals de uitslag van de verbazend eerlijk verlopen verkiezingen van 1990 zullen respecteren en de macht zullen opgeven. Ondanks de afwezigheid van Suu Kyi boekte haar Nationale Liga voor Democratie toen een overweldigende zege.

De militairen achten zich na een schrikbewind van 33 jaar nog altijd onmisbaar, de voor iedereen zichtbare economische aftakeling van Birma ten spijt. Niettemin verwachten veel waarnemers dat de junta, na deze eerste belangrijke stap, de teugels nog wel iets verder zal laten vieren, in het bijzonder op economisch terrein.

Wat zit er nu voor het straatarme Birma, dat in 1988 een kortstondige democratische opstand in bloed gesmoord zag, in het vat? Er duiken in de discussie steeds twee scenario's op, die we gemakshalve het Zuidafrikaanse en het Indonesische zullen dopen.

Optimisten in Rangoon hopen dat de junta op termijn een zelfde kniebuiging zal (moeten) maken voor Suu Kyi als het apartheidsregime in Zuid-Afrika voor Nelson Mandela. Was het immers niet het repressieve blanke bewind zelf dat toenadering tot hem zocht, voordat hij ten slotte tegen alle verwachtingen in op vreedzame wijze president van Zuid-Afrika kon worden? Zuid-Afrika geldt nu al als een klassiek geval van een succesvolle nationale verzoening.

Tussen Mandela en Suu Kyi bestaan inderdaad oppervlakkige overeenkomsten. Ook Mandela bracht lange jaren in uitzichtloze gevangenschap door en beiden hebben de Nobelprijs voor de Vrede ontvangen, de tengere Birmese zelfs nog voor Mandela.

Suu Kyi zelf heeft echter vergelijkingen met Mandela en Zuid-Afrika resoluut van de hand gewezen. Nog afgezien van grote culturele en politieke verschillen, gaat de vergelijking op ten minste één cruciaal punt mank. Er zijn tot dusverre geen aanwijzingen dat er binnen de Staatsraad voor Herstel van Wet en Orde (SLORC) een verlichte stroming bestaat die een substantiële dialoog met Suu Kyi aan wil gaan. Of, in de woorden van The Asian Wall Street Journal: “Birma heeft zijn Mandela; waar is zijn De Klerk?”

Het andere scenario, het Indonesische, behelst een economische liberalisering en een zekere mate van vrijheid voor de burgers, zolang die zich politiek gezien niet roeren. De strijdkrachten, en in het bijzonder president Soeharto en zijn familie, blijven uiteindelijk verantwoordelijk voor alle belangrijke beslissingen. De pers, vakbonden en andere potentiële critici van het regime genieten slechts beperkte vrijheid.

Tijdens een persconferentie in haar tuin, waar het nog altijd veiliger is dan buiten haar erf, verklaarde Suu Kyi geen behoefte te hebben aan zo'n variant op het Indonesische model. Dat mocht goed zijn voor de Indonesiërs, maar het was beter wanneer de Birmezen op hun eigen manier vorm zouden geven aan hun politieke bestuur, meende ze.

Toch zouden de Birmezen wel eens opgescheept kunnen raken met een politiek systeem dat meer weg heeft van het Indonesische dan van het op Westerse leest geschoeide Zuidafrikaanse stelsel. Een uitzondering zouden ze daarmee zeker niet zijn in de regio. Het wemelt daar immers al van de autoritaire regimes, in allerlei soorten en maten. Van de communistische dictatuur in China en Vietnam tot de verlichte despotie van president Soeharto in Indonesië en de naar Westerse maatstaven verdacht autoritaire democratieën van Maleisië en Singapore.

Het Westerse democratische model wordt door sommigen in de regio, voorop de Maleisische premier Mahathir Mohamad en zijn Singaporese ambtgenoot Goh Chok Tong, openlijk van de hand gewezen. Ze gaan er prat op hun eigen 'Aziatische' vorm van democratie te hebben ontwikkeld. Individuele rechten van de mens, zoals de vrijheid van meningsuiting, staan bij hen niet hoog aangeschreven. Die leiden maar tot chaos. De belangen van de gemeenschap, zoals gezien door de machthebbers, hebben voorrang. De ruimte voor oppositie is slechts beperkt. Er heerst een strenge discipline. Wie zich daaraan onttrekt, kan rekenen op harde sancties.

Wel worden er regelmatig verkiezingen gehouden. En zolang de economie fors blijft groeien, sputtert de bevolking nauwelijks tegen. Voorstanders van de 'Aziatische democratie' betogen overigens dat die groei juist mede aan het strakke politieke bestel is te danken. Aziatische zakenlui in de Birmese hoofdstad Rangoon tonen zich eerder bezorgd dan verheugd over de vrijlating van Suu Kyi, die immers wel eens het einde van de rust zou kunnen markeren.

Vanuit de verte kijken de reuzen van het Verre Oosten, de Chinezen, de Japanners en de Indonesiërs goedkeurend toe hoe vooral Mahathir zijn autoritaire 'Aziatische' bestuursvorm propageert. Japan komt van al deze landen nog het dichtst bij een democratie naar Westers model, maar ook daar bestaat veel waardering voor Mahathirs opvattingen en wellicht meer nog voor de onverbloemde manier waarop hij die uitdraagt.

Het was typerend dat Japan de SLORC direct na de opheffing van Suu Kyi's huisarrest een hervatting van de economische hulp in het vooruitzicht stelde. Hoewel daarvoor meer nodig is dan de vrijlating van de Nobelprijswinnares alleen, hebben de Japanners er geen twijfel over laten bestaan snel zaken te willen doen met het militaire bewind. Naar verluidt heeft een ongeruste Suu Kyi er tijdens een onderhoud met de Japanse ambassadeur al op aangedrongen toch vooral kalm aan te doen met nieuwe investeringen. Die zouden de SLORC te zeer in de kaart spelen.

Japan is het enige land niet dat het niet zo nauw neemt met de democratie in Birma. De ASEAN-staten hebben de SLORC al uitgenodigd een waarnemer te sturen naar hun volgende bijeenkomst in Brunei. Een welkome geste voor de generaals, die na de bloedige onderdrukking van Suu Kyi's democratische beweging van 1988 niet verwend zijn met invitaties uit het buitenland.

Wel werd een generaal van de SLORC reeds enkele maanden geleden met veel égards in Jakarta ontvangen en zijn de betrekkingen met China de laatste jaren uitstekend. Birma en China zitten min of meer in hetzelfde schuitje. Ook China werd lange tijd door de buitenwereld besmet verklaard na het neerslaan van de democratische beweging in Peking in 1989.

Hoewel de Birmezen in vroeger eeuwen diepgaande invloeden hebben ondergaan van het Indiase subcontinent, kijken ze dezer dagen zelden in die richting. Weliswaar bestaat er in de meeste Zuidaziatische landen een staatsvorm die, althans op papier, meer overeenkomt met het Westerse ideaal van democratie, maar de trage economische ontwikkeling en de algehele indruk van onmacht die landen als Bangladesh en Pakistan en in mindere mate India tentoonspreiden, vormen geen inspirerend voorbeeld.

Zo heeft Aung San Suu Kyi niet alleen te kampen met nukkige militairen, die hun greep op de macht waarschijnlijk het liefste à la Soeharto tot in lengte van jaren zouden willen behouden, maar ook met een klimaat in de naburige staten dat autoritaire regimes een warm hart toedraagt. De grote Westerse landen kunnen daarvoor weinig waardering opbrengen, maar die omstandigheid zal de leiders van de SLORC niet uit de slaap houden.

Eén van de leuzen van de SLORC, die hier en daar in Birma vallen te lezen luidt: “Slechts waar discipline heerst, zal er vooruitgang zijn”. Deze slogan, die men even goed in landen als Maleisië, Singapore of Indonesië had kunnen verwachten, staat ver af van de roep om democratie, die in 1988 kortstondig maar hevig in Birma weerklonk. De demonstranten dachten toen geen ogenblik aan een autoritaire 'Aziatische democratie' en hoopten op echte vrijheid, in de Westerse zin van het woord.

Zeven sombere jaren van onderdrukking later beseffen de Birmezen echter dat ze althans de komende jaren genoegen zullen moeten nemen met minder. Niemand is zich daarvan meer bewust dan Suu Kyi, die kort na haar vrijlating verklaarde de afgelopen jaren “rijper” te zijn geworden. Heel voorzichtig is zij nu op zoek naar de grenzen en mogelijkheden van een, zoals zij het omschreef, “Birmese democratie”.

Al aangenomen dat de SLORC bereid is enigszins in deze richting op te schuiven, staat vast dat het democratische gehalte van zo'n nieuw Birmees bestel vooralsnog niet hoog zal zijn. Maar Suu Kyi hoopt dat ze, gesteund door pressie uit het buitenland, in elk geval iets beters uit het vuur weet te halen dan de terreur en repressie waaraan zijzelf en haar volk de afgelopen jaren zijn blootgesteld. Voor een rechtgeaarde democraat valt er echter weinig eer te behalen aan zo'n dialoog met de onderdrukkers van de Birmese natie.