De paradox van de Amazone; Op zoek naar de zoetwaterdolfijn

Er zwemmen erg veel vissen in het Amazone-bekken. Maar waar leven die van? Waterplanten zijn er nauwelijks. Een Nederlandse expeditie keek naar de toppredator.

Tien jaar geleden, als student op stage in Colombia, zag Hans Dignum (33) voor het eerst een zoetwaterdolfijn. Het was liefde op het eerste gezicht. Eenmaal afgestudeerd heeft de Amsterdamse bioloog hemel en aarde bewogen om een echte, ouderwetse veldexpeditie naar het regenwoud te kunnen maken. Hij wilde deze fascinerende, miljoenen jaren oude diersoort beter leren kennen. Uiteindelijk wist hij zo'n 45 grote en kleinere sponsors te interesseren en een bedrag van ƒ 300.000 bijeen te schrapen. Hoofdsponsor was het Directoraat Generaal Internationale Samenwerking. Vorig jaar april kon de organisator na vier jaar voorbereiding eindelijk zijn ankers lichten. Aan de Inia Expeditie 1994 namen vier Colombianen, zes Hollanders en een in ons land werkende Amerikaan deel.

De zoetwaterdolfijn, Inia geoffrensis, plaatselijk beter bekend als de bufeo, is een soort levend fossiel. Het is een antieke dolfijn, die nog stamt uit de tijd van voor het oprijzen van de Andes. In die dagen stroomde de Amazone precies de andere kant op en stond als een soort binnenzee in open verbinding met de Grote Oceaan.

In de Indiaanse mystiek speelt deze primitieve dolfijn een hoofdrol. Hij wordt met het grootste respect behandeld. Volgens de verhalen leven de dolfijnen op de rivierbodem net als mensen met elkaar samen in hun eigen dorpen. Soms komen ze aan land, altijd in het wit gekleed, met een sombrero op het hoofd om hun blaasgat te bedekken. Dat kreeg Dignum althans van diverse Indianen in het regenwoud te horen. Eén man had een in het wit geklede dolfijn zelfs sigaretten zien kopen. Zijn de dolfijnen kwaad gezind, dan kunnen ze het dodelijke griepvirus en andere gevreesde ziekten overbrengen, of gehandicapte kinderen geboren laten worden.

In Colombia is de zoetwaterdolfijn uitgegroeid tot het Pandabeertje van de natuurbescherming. Waar de zoetwaterdolfijn voorkomt, is het ecosysteem nog gezond. Natuurbeschermingsprojecten worden ondersteund door de inkomsten uit verkoop van dolfijneschoolschriften, agenda's, brochures enzovoorts. “Het leeft echt,”constateert Dignum opgewekt. “Colombia heeft weliswaar gigantische problemen, maar toch wordt natuur- en milieubeheer er serieus genomen. Dat maakt het zo aardig om daar te werken!”

“Als bioloog word je wel als een romanticus beschouwd,” vervolgt hij. “Mensen denken dat zo'n project één grote vakantie is. Terwijl wij maandenlang van 's morgens zes tot diep in de avond staan te meten in ons geïmproviseerde drijvende laboratorium, opgevreten door de muskieten...”

De expeditie betrof een samenwerking tussen de Stichting Zuid-Amerika Expedities van de Universiteit van Amsterdam en de Jorge Tadeo Lozano Universiteit in Santa Fé de Bogotá, waarmee Dignum al in 1991 contact had gelegd. Hier bestaat veel kennis over de dolfijnen en het regenwoud, maar het ontbrak aan praktische middelen om een grote veldexpeditie op te zetten. Daarom sprokkelde Dignum zijn uitrusting in Holland bij elkaar. Camera's, schepnetten, staande wanden en andere visnetten, en allerlei apparatuur om onder veldomstandigheden de waterkolom te kunnen analyseren op essentiële voedingsstoffen zoals fosfaat, nitraat en sulfaat.

Voorjaar 1994 stond ruim drie ton aan goederen klaar. Een leeg bananenschip zou het transport van Rotterdam naar Santa Marta in Noord-Colombia verzorgen. Zulke schepen varen in twee weken leeg naar Colombia, worden daar volgeladen met bananen en varen dan razendsnel weer terug. Net op dat moment barstte de Bananenoorlog los. Goedkope Zuidamerikaanse bananen waren in Europa ineens niet meer welkom en het beoogde schip kon niet uitvaren. Met enig kunst- en vliegwerk wist Dignum een andere bananenfirma te strikken, die nog wèl uitvoer. Inmiddels had zich in Colombia echter het praatje verspreid dat het transport voornamelijk uit verboden chemicaliën voor de cocaïnefabricage bestond. Dignum: “We hadden inderdaad een half litertje methanol en een flesje zwavelzuur ingepakt voor onze spectrofotometeranalyses. Bij de douaneautoriteiten gingen toen alle lampen branden. We mochten onze spullen niet inklaren, en dat terwijl die bananenboot binnen twee dagen weer weg moest.” De rector van de universiteit moest er persoonlijk aan te pas komen om de goederen vrij te pleiten. De kisten waarin de gewraakte chemicaliën zaten gingen ongeopend retour.

Vervolgens bleek, dat de toenmalige presidentsverkiezingen gepaard gingen met nogal wat onrust. Na een vrolijk verhaal in een lokale krant over de voorgenomen expeditie naar een zijstroom van de Rio Orinoco arriveerde er een briefje van een Colombiaanse generaal, die in dit gebied gestationeerd was. Hij liet weten, niet voor de veiligheid van het team te kunnen instaan en verwees het plan beleefd, maar dringend naar de prullenmand. In datzelfde weekeinde stonden de kranten bol van de bloederige verhalen over guerilla-aanslagen en gekidnapte buitenlanders in deze streek.

“Maar wij hadden daar al zo lang goede contacten met de lokale bevolking, die ons zou gidsen”, betoogt Dignum. “Deze mensen onderhouden al jarenlang normale relaties met de guerilleros die ze 'les hombres de las montagnas' noemen, de mensen van de bergen. Ik zag zelf geen grote risico's! Maar de universiteit lastte de expeditie af tot na de verkiezingen. Er moest nog een voorronde worden gehouden in april en daarna nog eentje in augustus.”

Dignum legde zich daar niet bij neer. Hij had er tenslotte vier jaar voorbereiding opzitten, en afspraken met zijn sponsors gemaakt. Binnen een week lag er een ander onderzoeksplan op tafel, ditmaal voor de Rio Caquetá, een zijstroom van de Amazone. “Achteraf bezien een geluk bij een ongeluk,” zegt de avontuurlijke doctorandus, “want het bleek een prachtig, nog vrijwel ongerept gebied.”

Wèl moest er ineens van alles geïmproviseerd worden. Op de oorspronkelijke lokatie lag een grote, comfortabele rivierboot klaar, hier op de Rio Caquetá was niets geregeld. Gelukkig bleek de Nederlandse stichting Tropenbos goede relaties te onderhouden met de lokale coöperatie COA in Araraquara - oorspronkelijk een strafkolonie. Deze coöperatie bezat een proefstation met kweekvijvers en stelde een ervaren visserijbioloog beschikbaar.

Van Araraquara naar het oostelijker, niet ver van de Braziliaanse grens gelegen Isla Colombia is het 1200 kilometer varen, hemelsbreed is het zo'n 550 kilometer. De expeditie voer niet alleen deze route, maar onderzocht ook de diverse zijriviertjes. In totaal werd van april tot juli al varend zo'n 4500 kilometer afgelegd. In deze dunbevolkte streek leven acht inheemse gemeenschappen in verschillende dorpen aan de Rio Caquetá, in totaal zo'n 1500 mensen. De visprijzen in de regio worden bepaald door twee machtige, niet uit de streek zelf afkomstige 'visbaronnen'. Zij regelen ook de verkoop van de schaarse benzine, die hier op ongeregelde tijden wordt binnengevlogen uit een gebied dat zowel door de narco's als de guerillero's zwaar geïnfiltreerd is. De bevolking bestaat oorspronkelijk uit jagers en verzamelaars, die zich nu langs de rivier hebben gevestigd in kleine gemeenschappen van zo'n 200 zielen, met gewoonlijk een schooltje en een medische post.

Dignum: “De meeste bewoners spreken naast hun eigen taal wel Spaans. We hebben onderweg heel veel mensen gesproken. Een grote bedreiging voor dit gebied vormt introductie van commerciële jacht en visserij. Dit is momenteel voor de Indianen de enige manier om aan cash te komen, bijvoorbeeld om het schoolgeld voor hun kinderen te betalen. Door de introductie van de commerciële handel raken de Indianen vervreemd van hun eigen cultuur. Voor een handvol peso's houden ze uitverkoop van hun natuurlijke rijkdommen. Ze vangen de grootste vissen weg en jagen er op los.”

Een deel van de dorpelingen was de afgelopen jaren betrokken bij de smokkel van cocaïne van de produktievelden naar de illegale landingsstrips in het oerwoud. Het merendeel daarvan is inmiddels door narcobrigades opgerold, waarna de Indianen zijn teruggekeerd naar hun traditionele levenswijze.

Als gids en tolk voor de dolfijnenexpeditie diende Louis Angel Trujillo, zoon van een oud-militair, die hier in de jaren veertig na een coup in de hoofdstad was neergestreken en met een lokale Tanimucavrouw was getrouwd. Trujillo jr werkte als klusjesman voor Tropenbos en bleek een uitmuntend kenner van de streek. Het was zijn idee om door een Indiaans dorp een groot vlot te laten bouwen, een balsa, het traditionele Indiaanse transportmiddel voor grote partijen hout, fruit en vis. Zo'n vlot wordt gebouwd van de bombona, een snelgroeiende palmboom, die dankzij een verdikking in de stam een enorm drijfvermogen heeft. Toen de helft van de bomen al was gekapt, wilde het dorpshoofd de afgesproken prijs van $300 ineens verdubbelen, waarop Dignum, die zoveel geld niet op zak had, de rivier overstak en zich bij het buurdorp ging beklagen. Uiteindelijk werd weer vrede gesloten, waarbij de Hollanders een grote pot met agí, rode pepers, cadeau kregen om hun eten op smaak te brengen. Uit twaalf palmen vlochten de Indianen een balsa van 9 bij 6 meter, met een drijfvermogen van 15 ton. Hier konden 11 personen op, plus twee ton aan benzine (“Een soort drijvende bom dus”).

Ieder expeditielid had op dit drijvend hotel-annex-laboratorium zijn eigen twee vierkante meter om 's avonds zijn klamboe op te hangen en een eigen tonnetje voor zijn spullen. De vloer werd bedekt met platgeslagen bamboe. Het dak, gevlochten van rode palmbladeren, doorstond alle stormen en bleek helemaal waterdicht. Omdat zo'n vlot alleen stroomafwaarts kan drijven, werd het aangevuld met enkele rubberboten met motor om ook de vele zijriviertjes te kunnen inventariseren.

Dignum: “ 's Morgens vroeg en 's avonds laat, en soms ook als het gaat regenen, hoor je een soort gehuil in het bos, als een aanzwellende storm, ook al is het windstil. De eerste keer dacht ik dat er een vliegtuig landde, maar dat zijn de brulapen. Waarschijnlijk zijn het de dominante mannetjes die het ritme aangeven ('Let op, wij zijn hier!'), terwijl de rest van de clan op de achtergrond meeneuriet. Het is een van de meest karakteristieke geluiden van dit regenwoud.”

Naast de brulapen vind je hier kapucijneraapjes, doodshoofdaapjes en andere apesoorten. Eenmaal zwom er een tapir voor het vlot langs en ook de reuzenmiereneter werd gezien.

De rivier de Caquetá wordt gevoed door diverse krachtige zijstromen van andere watertypen. Geografen onderscheiden de witte, de zwarte, en de heldere wateren. Aan deze variatie dankt het gebied van de Caquetá zijn grote biologische rijkdom. Daarvan getuigen de vele honderden onderweg gemaakte dia's van exotische vogels, bloemen, vlinders enzovoort.

Een badkamer ontbrak op het vlot en in het begin durfden de ontdekkingsreizigers nauwelijks een duik te nemen, want je weet maar nooit. “Je hebt hier piranha's”, zegt visserijbioloog Ronald Lanting, die drie maanden aan de expeditie deelnam, “en van die kleine meervallen die je penisopening binnenzwemmen. In het begin blijf je dus dicht bij dat vlot.”

Geleidelijk kreeg men meer zelfvertrouwen, ook al werd dat niet door de feiten gerechtvaardigd, want dagelijks werden allerlei enge vissen uit het water gehaald. Dignum: “Zelfs de kleinste piranha heeft een gebit als een scheermes. Als je een vis met de hengel aan de haak sloeg en uit het water hees hadden de piranha's daar in een fractie van een seconde de staart- en borstvinnen al vanaf gehapt. Een lid van ons team verloor bij het sorteren van een emmer vis zowat een vinger, er werd een perfect rond gaatje in geslagen.” “Maar in de regentijd leven de piranha's gewoonlijk in scholen en vallen dan niet vanzelf aan, het zijn meer aaseters”, zegt Lanting geruststellend. De visvangst werd dagelijks geïnventariseerd op zaken als soortensamenstelling, grootte en maaginhoud.

De enorme visrijkdom is op het eerste gezicht verrassend, want het water is voedselarm en de primaire produktie gering. “Dat is de paradox van de Amazone”, zegt Lanting. “Je ziet er nauwelijks algen en ander fytoplankton, maar wèl vallen er heel veel bladeren, vruchten, insekten enzovoort uit het vloedbos in de rivier.” Al die voedingsstoffen worden snel omgezet en daaraan dankt het systeem zijn rijke flora en fauna. Bijzonder zijn bijvoorbeeld de algen, die onder water op de boomstammen groeien en door speciaal hierop aangepaste vissoorten worden afgegraasd.

De regentijd begint hier in april, de hoogste waterstand wordt in juli bereikt. Verbaasd keken de expeditieleden toe hoe het bos langs de rivieroevers langzaam maar zeker onder zeven tot acht meter water verdween.

In augustus begint het water weer geleidelijk te zakken. Het droge seizoen valt tussen november en februari. Overigens wordt de stand van de Caquetá niet alleen bepaald door de lokale regenval, ook de afvoer naar de Amazone speelt een grote rol. Als het water in de Amazone hoog staat door zware regenval bovenstrooms, in de Peruaanse Andes, kan het water uit de Caquetá niet gemakkelijk weg, ook al regent het daar niet veel. Tot nog toe wordt het rivierensysteem hier niet bedreigd door de bouw van hydro-elektrische dammen. Zou dat gebeuren, dan klapt het hele ecosysteem in elkaar.

Al varend hoor je hier regelmatig de plop van in het water vallende vruchten. Meteen schiet daar dan een vruchtenetende vis op af. Veel vissoorten planten zich voort aan het begin van de regentijd. Dan is er ook voldoende stilstaand water, de laguna's , ideale kinderkamers voor jonge vissen. Veel vruchten rijpen juist in de regentijd, dus aan voedsel geen gebrek. De schildpadden daarentegen kunnen alleen eieren leggen in de laagwaterperiode, als de zandstranden bloot komen te liggen. In de regentijd ziet men deze dieren 'onderduiken' in de modderige rivierbodem. Zo hebben vele vloedbosbewoners hun levensstijl helemaal afgestemd op het ritme van de rivier. Ook de dolfijnen begeven zich in deze overstroomde vloedbossen. Op de grens van helder en koffiemelkkleurig water zit de meeste vis, en daar gaan de dolfijnen achteraan.

De schaarse dorpen in de regio liggen op strategische plekken, de tiera firma, die als terpen boven het hoogwater blijven uitsteken. Dit zijn uitlopers van een door de rivier uitgesleten kwartsplateau. Veel mensen kwam het team niet tegen. Soms zagen ze een maand lang geen levende ziel, dan ineens klonken weer kinderstemmen uit het bos. Bij aankomst in de Indiaanse dorpen werden ze hartelijk ontvangen.

Dignum: “Wij kwamen niet als antropologen, maar om de dolfijnen te bestuderen. Je bemoeit je dus in principe niet met hun cultuur en dat leidt tot een open, ontspannen sfeer.”

Maar voordat het team iets over de dolfijnen te weten kon komen moesten de dorpelingen wèl eerst overleg plegen met deze dieren, die in de Indiaanse belevingswereld in zeer hoog aanzien staan. Het contact met de dolfijnen verloopt via de sjamaan, de medicijnman van het dorp.

Dignum: “De opleiding van zo'n sjamaan is niet minder uitgebreid dan onze eigen academische studies. Het is een soort roeping waarvoor je in de wieg gelegd moet zijn. Bij de geboorte van een kind wordt al bepaald of het een sjamaan zal worden, een zanger (quentador), of wellicht een dorpshoofd. Wie tot sjamaan is voorbestemd, krijgt van kinds af aan speciaal voedsel voorgezet en moet zich in zijn jeugd onthouden van contacten met meisjes. De opleiding duurt jarenlang.”

Daarnaast kent het dorp de quentador, de zanger die door zijn gezongen verhalen de culturele tradities van de stam levend houdt. Ieder dier in het bos heeft zijn eigen (gezongen) verhaal. Zo is er het verhaal van de boa, dat van de anaconda, de 'moeder van de rivier', het lied van de otter en dat van de kaaiman. Het verhaal van de dolfijn duurt maar liefst vier dagen. Het valt hier helaas onmogelijk samen te vatten, want juist het verhaal van de dolfijn kregen de expeditieleden nergens te horen. Vast staat alleen dat het een nogal surrealistisch verhaal is, alleen voor ingewijden bestemd.

In een van de dorpen bezocht het expeditielid een sjamaan, Fausto, een zeer erudiete man, die als vertegenwoordiger van de Colombiaanse Indianen door Europa had gereisd. Hij nodigde de expeditieleden uit voor een maaltijd, waarna hij de beide vrouwen in de groep vroeg of ze misschien met de dolfijnen wilden zwemmen. Nou dat wilden ze best, ook al had men hier aan de Rio Negro wekenlang nog geen enkele dolfijn gezien. De sjamaan nam wat coca in zijn wang, riep zijn familie, daalde van de tiera firma naar de rivieroever af en ging het water in om zich te wassen. Binnen de kortste keren zwommen er zeven dolfijnen om hem heen.

Na dit ritueel liet de sjamaan de expeditieleden weten dat zij door de dolfijnen 'in harmonie met de natuur' waren bevonden. De dolfijnen beloofden de sjamaan dat ze het team behulpzaam zouden zijn. En inderdaad. Vrij snel na het verlaten van dit dorp kwam de groep bij een stroomversnelling en daar voorbij wemelde het van de dolfijnen. Hier trof men naast Inia geoffrensis ook de kleinere zoetwaterdolfijn Sotalia fluviatilis aan. Deze is, anders dan de primitieve Inia, nauw verwant aan de moderne dolfijnachtigen, hij leeft niet alleen in de rivier, maar ook in het zoute kustwater, waarbij hij op ingenieuze wijze kans ziet zich aan te passen aan het leven in het zoute water.

Over het algemeen waren de dolfijnen nogal schuw. Geen wonder als je bedenkt dat het geluid van een scheepsmotor zich onder water vier keer zo snel voortplant als door de lucht. In dichter bevolkte streken, waar veel gevist werd, bleken de dolfijnen een stuk minder schichtig dan midden in het oerwoud. Blijkbaar wennen ze wel aan mensen.

Heel spijtig was dat de geplande registratie van de 'dolfijnentaal', de sonar, uiteindelijk niet door kon gaan omdat de hiervoor aangezochte Delftse expert op het laatste moment afhaakte. Ook over de verschillende genetische populaties valt niets te melden. Hiervoor zou men bijvoorbeeld kleine huidmonsters moeten nemen, wat dan eerst maar eens grondig aan de sjamanen uitgelegd moet worden. Dode dieren - om sectie op te plegen - werden tijdens de expeditie niet gevonden. De dolfijnenpopulaties maakten een gezonde indruk, met meer dan 50 procent jonge dieren.

In totaal werden 449 Inia's en 90 Sotalia's geteld. De positie van elk dier werd met moderne satellietnavigatietechnieken (GPS) nauwkeurig vastgelegd.

Bijzonder was de ontdekking, dat de Inia veel minder solitair is dan in de literatuur wordt beschreven. De dieren werden vaak in groepjes aangetroffen. Er blijken zelfs speciale 'kinderkamers' voor jonge dieren te bestaan, waarin de kalveren samen spelen zonder permanent toezicht van volwassenen. Af en toe kwam een volwassen dier vanuit de hoofdstroom eens een kijkje nemen.

Over twee jaar hoopt men een tweede Inia-expeditie op touw te zetten. Zelf is Hans Dignum zojuist weer naar Colombia vertrokken, ditmaal niet om naar dolfijnen te kijken, maar om in het huwelijk te treden met een Colombiaanse die hij al vele jaren kent. “Geen bioloog, maar een advocate bij de Jorge Tadeo Lozano Universiteit,” vertelt hij enthousiast. “Zij is buitengewoon handig in het ritselen en regelen van alle mogelijke zaken.” Dan hebben ze elkaar mooi gevonden.