De mond als porceleinkast

A.E. Käyser, H.H.J. Creugers, P.J.J.M. Plasmans, N. Postema, P.A. Snoek: Kroon - en Brugwerk. Uitgangspunten bij de diagnostiek van het gemutileerde gebit en de behandeling ervan met vaste voorzieningen. Bohn Stafleu Van Loghum, Houten/Diegem 1995.

In 'Kroon- en Brugwerk', een recent verschenen studieboek over het aanbrengen van kronen en bruggen, geschreven door de Nijmeegse Hoogleraar A.E. Käyser en zijn medewerkers, komt een uitspraak voor die nogal wat consequenties heeft voor tandheelkundige patiënten. Permanente restauraties, zo kunnen we lezen, bestaan niet. Voorzieningen als bijvoorbeeld kronen en bruggen hebben een beperkte levensduur. Geen geruststellende gedachte voor mensen die veel geld hebben geïnvesteerd in dit ingewikkelde maatwerk. De vraag rijst dan of er toch niet enig inzicht bestaat in de duurzaamheid ervan.

Voor die vraag kan worden beantwoord, moeten we eerst even stilstaan bij de vele mislukkingen op dit gebied. Het is evident dat bij complexe tandheelkundige behandelingen veel fout kan gaan: in het verleden bestond meer dan 50% van de behandelingen van tandartsen uit het vervangen of herstellen van falende restauraties. Het begrip 'mislukking' is bij tandheelkundig werk niet eenduidig te omschrijven. Zo'n mislukking kan betrekking hebben op de gehele behandeling van het gebit of op een gedeelte ervan. Wanneer bijvoorbeeld op den duur, door een grote behandeling, storingen in de kauwfunctie van een persoon ontstaan, kan men stellen dat de hele behandeling heeft gefaald. Maar het is ook mogelijk dat in een goed functionerend, opgeknapt gebit een enkele kroon voortijdig verloren gaat zonder dat daarna verdere grote klachten ontstaan. In het algemeen moet men er rekening mee houden dat, naarmate mensen meer restauraties in de mond hebben, zij er in de toekomst meer zullen krijgen.

Voorts onderscheidt men bij mislukkingen zowel technische gebreken die vooral in de eerste jaren na plaatsing optreden, als biologische tekortkomingen die zich meestal later manifesteren. In het eerste geval denken we ondermeer aan breuken in het materiaal (porselein is berucht), lekkage, slechte vormgeving en onvoldoende houvast. Bij biologische tekortkomingen aan het opnieuw optreden van tandbederf, zenuwdood en ontstekingen onder aan de wortels van de gekroonde gebitselementen of aan het tandvlees en kaakbot. Het zal duidelijk zijn dat deze factoren de duurzaamheid van het vervaardigde kroon- en brugwerk in belangrijke mate beïnvloeden.

Bij de duurzaamheid van dit soort restauraties, stuit de onderzoeker op het probleem dat de in de literatuur beschreven resultaten niet altijd met elkaar te vergelijken zijn. In sommige publicaties wordt de duurzaamheid, of 'levensduur', uitgedrukt in percentages mislukkingen per jaar, in andere studies wordt het gemiddelde succes van behandelingen na een aantal jaren weergegeven. Een probleem bij dit onderzoek is dat men groepen patiënten over langere tijd moet volgen, een lastige bezigheid omdat de mobiliteit onder deze mensen dikwijls groot is. De onderzoeksgegevens zijn dan ook dikwijls afkomstig van patiënten uit universiteitsklinieken of particuliere praktijken waarin tandartsen zorgvuldig gegevens hebben genoteerd.

In Kroon- en Brugwerk worden methoden beschreven waarbij met behulp van zogenaamde meta-analyses gegevens uit de literatuur worden herberekend. Zo blijkt uit een Nederlands onderzoek waarbij 33 levensduurstudies op het gebied van conventioneel brugwerk - veelal met metalen legeringen - werden bekeken dat de overlevingskans van ruim 4000 van zulke restauraties na 15 jaar 74% is. Verder kan men opmaken dat het aantal mislukkingen in een periode van 5 jaar telkens verdubbelt ten opzichte van de vorige periode. De gegevens over de geheel uit porselein vervaardigde kronen zijn minder gunstig. De porseleinen kroon op de bovenvoortanden, de jacket, heeft in de gemiddelde praktijk een overleving van ongeveer 60% na tien jaar. Deze gegevens in aanmerking genomen, lijkt de opvatting van de auteurs dat alle restauraties een beperkte levensduur hebben wat pessimistisch. En hoe beperkt is beperkt? De mond met zijn bacteriekolonies, vochtige omgeving en grote kauwkrachten, is geen ideale plaats voor het bewaren van dure materialen en fraai vervaardigde restauraties. Zo bezien valt het met de levensduur nogal mee.

De auteurs verwachten dat tandartsen zich in de toekomst in toenemende mate moeten verantwoorden voor mislukkingen. Ze verwijzen naar gegevens uit de Verenigde Staten waarbij patiënten in rechtszaken steeds meer in het gelijk werden gesteld bij klachten over kronen en bruggen. Maar ze stellen ook vast dat op grond van de resultaten van levensduurstudies tandartsen tegenwoordig beter kunnen werken dan vroeger en meer mislukkingen kunnen voorkomen. Voorzichtiger indiceren, meer probleemgericht te werk gaan en goede voor- en nazorg is daarbij belangrijk.

    • M.A.J. Eijkman