De heilige Erasmus

Laten we 'eerlijk zijn' als Peter Schat (NRC Handelsblad 12 juli) en constateren dat deze getergde componist op zoek is naar zijn heilige. Hij lijkt die gevonden te hebben in Erasmus. Wie deze levenslang door jicht geplaagde humanistenvorst voorstelt als 'profeet van de tolerantie' en degenen die daar een vraagteken bij durven te zetten 'intellectuele en morele doodzonde' aanwrijft, geeft de indruk toe te kunnen met enige hagiografische kennis.

Erasmus' reputatie als kampioen van de tolerantie berust op een generalisatie die in strijd is met de feiten. Tolerant was Erasmus waar het de vrijheid van de individuele wetenschappelijke onderzoeker betrof. Met betrekking tot de kerkstrijd wordt er vaak over Erasmus' tolerantie gesproken waar eerder het woord angst, ja lafheid op zijn plaats zou zijn.

Niet zelden zette hij met zijn radicale uitspraken geestverwanten van de Zwitserse reformatie (Zwingli) op het verkeerde been. Als puntje bij paaltje kwam liet hij het afweten. En bij het geringste vermoeden dat hij zijn reputatie op het spel zou kunnen zetten, liet hij degenen die meenden hem tot hun vrienden te kunnen rekenen, zonder pardon vallen. Ja, Erasmus hield altijd heel goed in de gaten hoe ver hij te ver ging. Op één punt echter wist hij zijn angsten royaal te overwinnen: in zijn mateloze jodenhaat. Maar daar liep hij dan ook geen enkel risico mee. “Als jodenhaat de echte christen legitimeert, dan zijn wij allen voortreffelijke christenen”, schreef hij in 1519 in een brief. Erasmus' correspondentie geeft een goed beeld van de aard van 's mans antisemitisme, in zijn geval geen anachronisme. Zo geloofde hij in een collectieve, joodse samenzwering, dichterbij gebracht door de renaissance van het Hebreeuws. Wat hem betrof mocht de kerk het zgn. Oude Testament laten vallen. Bovendien heeft zijn jodenhaat een racistische component. Ooit roemde hij Frankrijk als het zuiverste deel van de christenheid omdat het, anders dan Spanje, niet geïnfecteerd was door joden en half-joodse Marranen. “Een gedoopte jood wordt nimmer een hele christen, hij blijft een halve jood.” (1516) En soms is zo'n halve - gedoopte - jood nog heel wat mans, het blijkt een super-jood te zijn. Over de Duitse bekeerling Pfefferkorn wist Erasmus te melden: “Als je hem open snijdt, springen er zeshonderd joden uit.” Met andere woorden: het joodse verderf zit in de genen.

Laten we eerlijk zijn: deze antisemitische, schipperende en niet zelden oneerlijke pseudo-radicaal past toch niet bij Peter Schat! Een curriculum van goed en fout, zoals Schat dat opbiecht, valt van Erasmus niet te reconstrueren, domweg omdat hij nooit echt koos en dus nooit ergens op terug hoefde te komen. Niemand zal Schat het recht op nieuwe keuzen betwisten, het probleem is alleen dat hij iedereen die ze niet met hem deelt of het waagt hem tegen te spreken de hel in wenst. En dat lijkt mij dan toch de erfenis van het lidmaatschap van die gereformeerde jongelingenvereniging-oude-stijl. De bordjes zijn verhangen, het fanatisme is gebleven.

    • René Süss