CO2-ideologie (7)

In 'De CO2-ideologie' (W&O 6 juli) gaat Harry Priem uitgebreid in op de toenemende kooldioxideconcentratie in de atmosfeer. Zijn relaas bevat echter een aantal misvattingen, waarvan ik er drie wil noemen.

Laten we eerst de oorzaken van de huidige stijging van het CO2-gehalte in de atmosfeer onder de loep nemen. Volgens Harry Priem is het niet vast te stellen welk deel van deze stijging antropogeen is. Argument hiervoor is de voortzetting van de gemeten trend sinds de laatste ijstijd, zo'n 10.000 jaar geleden. De genoemde getallen komen neer op een natuurlijke trend van circa 0.009 ppmv/jaar. Dit valt echter in het niet bij de gemiddelde waargenomen stijging sinds bijvoorbeeld de tachtiger jaren, namelijk 1,5 ppmv/jaar. Deze stijging komt ruwweg overeen met circa 45% van de totale jaarlijkse CO2-uitstoot door menselijke aktiviteiten. De rest wordt opgenomen door oceaanwater en vegetatie, hetgeen ook door Harry Priem onderschreven wordt. Bovendien hebben diverse isotopenstudies aangetoond dat de stijging van atmosferisch CO2 hoofdzakelijk afkomstig moet zijn van de verbranding van fossiele brandstoffen en van biomassa. Dit zou Priem toch moeten weten!

Ook is het jammer dat Priem reeds lang bestaande inzichten als argument gebruikt voor het afzwakken van het antropogene broeikaseffect door CO2. Met zijn stelling dat 'recent er de aandacht op gevestigd is dat alle 15 micrometer straling die wordt gereflecteerd al door het thans in de dampkring aanwezige CO2 wordt geabsorbeerd' en dat 'het broeikaseffect van een toenemende CO2-druk dus minder is dan men dacht' suggereert hij een nieuw feit binnen het klimaatonderzoek. Dit is echter onjuist: deze kennis is zo oud als de stralingsmodellen zelf. Enkele critici, die meenden dat bij het huidige CO2-gehalte verzadiging van absorptie zou zijn opgetreden, en de daaropvolgende discussies hierover in de media, dwongen de auteurs van het IPPC-rapport (1994) hierover inzichtelijk informatie te geven. In het kort komt het erop neer dat bij een toename van CO2 de verstoring van de stralingsbalans, de zogenaamde stralingsforcering, logarithmisch verloopt vanwege het thans aanwezige CO2-gehalte in de atmosfeer. Voor gassen die in aanzienlijk lager concentraties voorkomen, zoals CFK's, is de verstoring lineair en dus per molecuul sterker. De toename van CO22 sinds 1850 is echter dermate sterk dat het verantwoordelijk is voor pakweg 60% van de huidige stralingsforcering door alle antropogene broeikasgassen samen

Tenslotte uit Priem kritiek op de stelling van de 'broeikas-adepten' dat de sterkte van het natuurlijke broeikaseffect zo'n 33 ß8C bedraagt. Het model van Priem genereert een natuurlijk broeikaseffect van 6 a 7 ß8C, waarvan slechts enkele procenten voor CO2 zijn weggelegd. Laten we daarom eens als gedachtenexperiment het effect beschouwen wanneer de huidige CO2-concentratie uit de atmosfeer verwijderd wordt. Naast een directe afkoeling van ruim 7 ß8C door het wegvallen van de broeikaswerking van CO2 worden ook terugkoppelingen in gang gezet: grotere ijskappen (dus een hoger albedo) en minder waterdamp (dus een nog lagere broeikaswerking), die beide de afkoeling versterken. We komen dan al gauw uit op een totale afkoeling van minstens 15 ß8C. Priem slaat hier dus met zijn schatting van het broeikaseffect door CO2, namelijk een fractie van een graad, de plank volledig mis.