CO2-ideologie (6)

Onder de titel 'De CO2-ideologie' werpt de Utrechtse hoogleraar planetaire geologie dr. H.N.A. Priem de zoveelste steen in de toch al roerige vijver van de broeikasdiscussie. In het eerste deel van zijn betoog stelt Priem dat de 'steeds weer in de discussie opdoemende' +33ß8C - die het gevolg is van het natuurlijk broeikaseffect waardoor het aan het aardoppervlak niet gemiddeld -18ß8C maar +15ß8C is - op onjuiste analyse berust. Hij komt tot deze conclusie op basis van bepaalde modelberekeningen en zet op basis daarvan het gedachtenexperimenten voort.

Zijn uitvoerige betoog, dat vanuit zijn geologische benadering best wel boeiend is te noemen, mag niet zonder meer terzijde worden geschoven en dat geldt ook voor zijn beeldende beschrijving van de in het aardse ecosysteem werkzame biologische en geochemische 'CO2-pompen' die de CO2-kringloop in een acceptabel evenwicht lijken te houden.

De eerste vraag die dan opkomt is: 'Hebben die vele honderden wetenschappers en instituten die zich wereldwijd met de klimaatproblematiek bezighouden helemaal geen kennis van de Priem-analyses?' Dus maar eens een paar van die deskundigen geraadpleegd! De reacties zijn vernietigend. Priem zou volstrekt onvoldoende inzicht hebben in de modellen en analyses die in de klimaatstudies van onder meer het IPCC worden toegepast en 'het eigen verhaal van Priem rammelt aan alle kanten'.

In ieder geval vertoont zijn verhaal opmerkelijke overeenkomsten met het rapport waarmee de Amerikaanse kolenlobby graag zwaait, een rapport waarvoor analyses en resultaten bij de wetenschap werden gekocht. In Amerika gaat dat soms zo.

Mijn reactie wil echter niet ingaan op de wetenschappelijke aspecten van de discussie - dat hebben anderen gedaan - maar op de procesmatige kant van deze broeikasdiscussie en de politieke impact daarvan.

In de eerste plaats erkent Priem dat het aardse klimaatsysteem en de rol en werking van het CO2-kringloopsysteem daarin uitermate complex zijn. En ook hij maakt - net als andere wetenschappers en wetenschappelijke instituten - gebruik van (onvolledige) modellen en gedachtenexperimenten. Hij is bovendien afhankelijk van informaties uit een zo ver verleden dat naar de oorzaak-gevolg-relaties van bepaalde verschijnselen 'beredeneerd gegist' moet worden. Daar is op zichzelf niets tegen, want het bevestigt de complexiteit van het vraagstuk. Maar tegelijk rechtvaardigt zijn betoog dan niet het 'in de hoek zetten' van instituten zoals het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) en hele groepen van wetenschappers van uiteenlopende disciplines. En evenmin rechtvaardigt zijn analyse het cynisch verwijzen naar de 'voorlichting' van milieu-organisaties als Greenpeace, die immers - net als de Stichting Natuur en Milieu - voor een belangrijk deel van hun voorlichting afhankelijk zijn van de wetenschap, wetenschap die door mensen als Priem wordt bedreven.

In de tweede plaats constateert Priem dat over de CO2-kringloop en de effecten daarvan op het klimaatsysteem nog geen volstrekte wetenschappelijke zekerheid bestaat en dat het zeer de vraag is of er ooit toereikende modellen daarvoor ontwikkeld kunnen worden. Op basis van deze notie en de significante afwijkingen van de gemiddelde temperaturen gedurende de afgelopen jaren had het Priem gesierd indien hij het voorzorgbeginsel ten tonele had gevoerd. Het is immers wetenschappelijk èn ethisch onacceptabel een soort Russische roulette te spelen met het aardse klimaatsysteem dat van vitaal belang is voor het totale ecosysteem aarde.

Opmerkelijk is dat Priem de noodzaak van energiebesparing en de ontwikkeling van alternatieve energiebronnen nadrukkelijk onderschrijft. 'Niet', zoals hij zegt, 'met als hoofddoel de beperking van de CO2-emissie, maar om de eindige voorraden fossiele brandstoffen minder snel uit te putten'.

Daar kan nog op worden aangevuld dat de uitputting van die voorraden in een sterke versnelling is nu opkomende industrielanden als China een steeds groter beroep op die voorraden gaan doen en ook de bevolkingsgroei een toenemend beslag op die schaarse voorraden legt.

Tellen wij daar nog bij op dat met name de voorraden fossiele brandstoffen olie en aardgas sterk geconcentreerd in enkele regio's op aarde voorkomen, waardoor vormen van 'politieke schaarste en afhankelijkheid' kunnen optreden, dan is er een reeks van argumenten om het verbruik van fossiele brandstoffen terug te dringen. Met termen als 'CO2-ideologie, CO2-apocalyps en CO2-doemdenken' ondermijnt Priem zijn eigen pleidooi voor energiebesparing.

Of het nu gaat om dreigende klimaatverandering, om toekomstige schaarste, of om een betere mondiale verdeling van de energievoorziening, in ieder geval is duidelijk dat het gebruik van fossiele brandstoffen drastisch moet worden beperkt en de ontwikkeling van duurzame energiebronnen een impuls moet krijgen. Het is jammer dat Priem niet dié conclusie trekt, maar zijn artikel eindigt met een knorrige opmerking over de onderzoeksgelden die wel naar het klimaatonderzoek gaan en niet naar dissidenten als hijzelf. Dat is niet bepaald een conclusie waar de lezer op zit te wachten.