Akkoord financiële diensten is op een na beste oplossing

ROTTERDAM, 27 JULI. “Een vrijwel ongehinderde toegang tot 20.000 miljard dollar aan banktegoeden, 10.000 dollar aan aandelen, 10.000 miljard dollar aan verhandelde obligaties en 2.000 miljard dollar aan verzekeringspremie's,” zo vatte Europees commissaris van buitenlandse handel Leon Brittan het succes van het voorlopige akkoord samen over de wereldwijde liberalisering van financiële diensten.

De wereldwijde liberalisering van - financiële - diensten is een heet hangijzer in de internationale economische gemeenschap. In de volwassen economieën van de geïndustrialiseerde wereld is veel van de hoop op verdere economische groei gevestigd op de dienstensector, en twee belangrijke ontwikkelingen hebben er voor gezorgd dat juist de financiële sector hierin het voortouw neemt.

Deregulering van de binnenlandse markt voor financiële diensten maakt dat er meer en verscheidener diensten mogelijk zijn geworden. Dat geldt bijvoorbeeld voor de explosie van spaar-levensverzekeringsprodukten, voor de 'securitisatie' (het verhandelbaar maken van hypotheken of bijvoorbeeld voormalige overheidsbedrijven) of voor de snelle toename van het gebruik van risicobeheersingsinstrumenten als opties, termijncontracten en dergelijke. De markt voor zulke diensten neemt ook in Westen nog steeds toe, al was het maar door de toenemende financiële reserves waarmee een steeds groter deel van de bevolking zich voorbereidt op de oude dag.

In de 'nieuwe' markten in de wereld, waar het accent vooralsnog meer ligt op industriële ontwikkeling, is van de financiële sector een zelfde spectaculaire groei te verwachten. Het is de industrielanden er veel aan gelegen voor hun financiële sector de mogelijkheid te bedingen toegang te krijgen tot deze opkomende financiële markten. Maar net zoals beginnende industrie veelal wordt afgeschermd van buitenlandse concurrentie om de tijd te krijgen op eigen benen te staan, bestaat in de opkomende markten de angst dat een snelle intocht van grote buitenlandse banken en verzekeraars de binnenlandse financiële sector wegvaagt.

In het eind 1993 gesloten wereldhandelsakkoord in het kader van de toenmalige Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT), werd het ultimatum voor een akkoord over de liberalisering van het internationale verkeer van financiële diensten anderhalf jaar opgeschoven, tot 30 juni van dit jaar. Nadat de VS die dag plots lieten weten zich niet in het bereikte akkoord te kunnen vinden, nam EU-commissaris Brittan het voortouw en wist gisteren alsnog een compromis te bereiken buiten de VS om.

Morgen zal bij de wereldhandelsorganisatie WTO, de opvolger van de GATT, het akoord naar verwachting worden bekrachtigd - zonder betrokkenheid van de VS. De Amerikanen houden bij het internationale verkeer van financiële diensten vast aan het principe van reciprociteit: buitenlandse bedrijven kunnen rekenen op een zelfde behandeling in de VS als Amerikaanse bedrijven in het land van herkomst krijgen.

Brittan liet gisteren niet na het akkoord te presenteren als een diplomatieke overwinning voor de EU, die zich heeft weten te profileren als de voorvechter van internationale handelsvrijheid. Maar bij het akkoord over financiële diensten zijn de nodige kanttekeningen op zijn plaats. Allereerst betekent een theoretische toegang tot een buitenlandse financiële markt zeker niet dat de de 'expatriates' van de grote Westerse banken en verzekeraars hun reiskoffers al kunnen gaan inpakken. Brittan hoeft alleen maar naar zijn eigen EU te kijken voor het verschil tussen theorie en praktijk: in vrijwel geheel Europa domineren binnenlandse partijen de eigen bank- en verzekeringsmarkt, en is het voor buitenstaanders moeilijk of bijzonder kostbaar om op die markt in te breken. ING kan meepraten over de kosten die toegang tot de Duitse of Franse verzekeringsmarkt vergt, en die een dergelijke stap tot nu prohibitief maakten.

Dat is buiten de EU niet anders. Alleen in Oost-Europa lieten de grootscheepse schoksgewijze hervormingen van de binnenlandse markten en een groot aantal privatiseringen toe dat buitenlandse banken en verzekeraars hun kans snel konden grijpen. In Azië bestaan die mogelijkheden niet.

Ook op de formele toezeggingen van de deelnemers aan het akkoord over de liberalisering van financiële diensten valt het nodige af te dingen. Zuid-Korea bijvoorbeeld heeft de concessie gedaan dat buitenlandse investeerders niet maximaal tien procent van de aandelen van een binnenlandse financiële instelling mogen bezitten, maar vijftien procent. Dat is weliswaar een vooruitgang, maar kan moeilijk een doorbraak worden genoemd. Wie het vergelijkt met de afbraak van de invoertarieven op goederen onder het GATT-regime tot uiteindelijk vijf procent bij de Uruguay-ronde, zal moeten concluderen dat de liberalisering van de financiële diensten nog een lange weg te gaan heeft.

Het debat tussen de VS en de EU gaat er in feite over of dit de gewenste eerste stap is op die weg. De afwezigheid van de VS maakt duidelijk dat die geen akkoord prefereren boven een ontoereikend akkoord. Nu neemt de pragmatische Brittan genoegen met, in de woorden van Renato Ruggiero, de topman van de WTO, “de op een na beste oplossing”.

    • Maarten Schinkel