Rechtszaak EGRI-film tegen Tim Krabbé; Invloed van schrijver op filmscenario inzet geding

AMSTERDAM, 26 JULI. De schrijver van een boek moet niet meelezen over de schouder van een scenarioschrijver die zijn verhaal bewerkt voor verfilming. Met dat argument probeert regisseur en producent Erik Fransman het recht op de verfilming van het boek Vertraging terug te krijgen. Schrijver Tim Krabbé wil niet langer dat Fransman zijn boek verfilmt.

Beide partijen bepleitten gisteren hun zaak tegenover president mr. J. Bentinck van de Amsterdamse rechtbank. EGRI-film, de maatschappij van Fransman, had het kort geding aangespannen tegen Krabbé, nadat deze in juni de overeenkomst had opgezegd die zij in 1993 hadden gesloten. Daarbij verleende Krabbé aan EGRI-film voor twee jaar het recht om een scenario te ontwikkelen op basis van Vertraging.

In die overeenkomst was nadrukkelijk niet opgenomen dat Krabbé daarmee afstand deed van zijn recht om zich tegen ingrijpende wijzigingen in zijn verhaal te verzetten, aldus de raadsman van de schrijver, mr. J. van Hulst. En in het laatste treatment (een gedetailleerde samenvatting van het scenario) dat Krabbé onder ogen kreeg, bleek de hoofdpersoon plotseling te worden vermoord - in de ogen van de schrijver een ontkrachting van zijn thematiek. Hij schreef dat ook aan Fransman: “Ik heb vanaf het begin gezegd: ik wil geen verfilming van Vertraging als Vertraging niet verfilmd wordt.”

De advocaat van EGRI-film, mr. J. Sprey, voerde daartegen aan dat, zodra een schrijver aan een producent toestemming geeft tot verfilming, hij impliciet toestemming geeft tot ingrijpende wijziging. Hij beriep zich daarbij op een uitspraak van scenarioschrijver Jean Claude Carrière: “Het eerste wat je moet doen na het lezen van een roman, is het ding in een hoek gooien en nooit meer inkijken.”

Tot zover lijkt de zaak enigszins op die van Het bittere kruid, nu tien jaar geleden. Schrijfster Marga Minco viel om van verbazing toen ze zag dat 'haar' joodse meisje in het scenario plotseling innig vriendschap sloot met twee kinderen die bij de Jeugdstorm zaten. Pogingen de verfilming tegen te houden mislukten, omdat de rechter oordeelde dat Minco dan maar niet de rechten had moeten overdragen. Het enige wat haar door producent Rob Houwer werd gegund, was een tekst, voorafgaand aan de film, dat zij dit als 'strijdig met de geest van haar boek' beschouwde. Het verschil met Vertraging is dat hier nog slechts sprake is van een optie om de rechten te kopen.

De raadsman van Krabbé voerde namens de schrijver nog een reden aan om de optie in te trekken. Volgens hem heeft EGRI-film die twee jaar dat de optie loopt, nauwelijks energie in het project gestoken. Krabbé heeft alle aanvankelijke vertrouwen in Fransman verloren en denkt dat zijn maatschappij eenvoudigweg te klein is om zo'n grote, internationale produktie (de film speelt in Australië) aan te kunnen. Het zou voor Fransman de eerste lange speelfilm worden.

Er is een subsidie-aanvraag ingediend voor de ontwikkeling van het scenario, die werd afgewezen. Er zijn twee versies van het scenario geschreven die producent en schrijver beiden afwezen. Er is een aanvraag gedaan voor subsidie om allerlei produktiekosten te dekken, ook afgewezen. Het enige wat er in die twee jaar is gebeurd, aldus Van Hulst, is dat EGRI-film een subsidie van 10.000 gulden heeft gekregen om een deugdelijk treatment voor de film te schrijven. Dan zien de subsidiegevers wel weer verder.

Kennelijk vond ook producent Fransman dat de zaak nog niet was opgeschoten, want hij schreef Krabbé in mei dit jaar een brief die begon met de woorden: “Ik begrijp heel goed dat het vanaf jouw kant lijkt of er weinig gebeurt...” Sprey verdedigde Fransman door te zeggen dat dit de normale gang van zaken is in de Nederlandse filmwereld. Volgens hem begint geen enkele producent aan de produktie van een film, voordat er een deugdelijk scenario ligt, en schrijft niemand een scenario voordat daarvoor subsidie is ontvangen.

“Omdat Nederlandse films zelden uit de kosten komen”, zo legde Sprey de gang van zaken uit, “wordt er zelden of nooit risicodragend kapitaal in geïnvesteerd.” Met andere woorden, het tempo van de Nederlandse filmproduktie wordt niet bepaald door de producenten, maar door “de ambtelijke molens” van de subsidiefondsen, aldus Sprey. En dus kan Fransman het niet helpen als er in ruim twee jaar nog geen scenario ligt

Uitspraak in de zaak volgt op 10 augustus.