Opfrisverlof wordt te weinig beproefd

Volledige werkgelegenheid staat in ons land nog steeds hoog genoteerd als centrale doelstelling van sociaal-economisch beleid. De vraag of wij deze doelstelling kunnen verwezenlijken lijkt minder een kwestie van economische politiek dan wel van offerbereidheid, solidariteit en cultuur. In ieder geval, de ontwikkelingen tot nu toe wijzen sterk in die richting. In het produktieproces wordt de arbeidsproduktiviteit voortdurend verbeterd, en dat leidt zowel tot expansie als tot vermindering van werkgelegenheid. Daarom is groei van consumptie van arbeidsintensieve produktie en van diensten voor de werkgelegenheid even noodzakelijk als technologische innovatie voor de verbetering van de arbeidsproduktiviteit.

Maar dit doorschuifproces is lang niet toereikend om volledige werkgelegenheid te waarborgen. De laatste veertig jaar bedraagt het arbeidsvolume - het totaal aantal uren per jaar dat in Nederland gewerkt wordt - ongeveer 8 miljard. Het aantal werkenden is in die periode gestegen van ca. 4 naar 6 miljoen. Het gemiddelde arbeidsjaar in 1995 (1400) uur is dus veel korter dan in 1955 (2250 uur). De verkorting van de voltijdse arbeidsduur neemt hiervan tweederde voor zijn rekening, deeltijd ruim eenderde. Een aanzienlijke arbeidsduurverkorting dus, en de werkgelegenheid is als gevolg daarvan over veel meer mensen verdeeld. Als we dat niet hadden gedaan, zou de werkloosheid wellicht een miljoen personen hoger zijn geweest dan nu het geval is. Velen zouden zijn opgehouden met werken - vooral herintredende vrouwen. Deze autonome herverdeling heeft wellicht meer aan de werkgelegenheid bijgedragen dan welke beleidsdoelstelling ook. Tot ongeveer 1965, toen de economie zelf voor volledige werkgelegenheid zorgde, konden beleidsmakers gemakkelijk pretenderen een daarop gericht beleid te voeren. Na 1980 was dat niet meer mogelijk.

Het herverdelingsproces wordt gestuwd door toenemende welvaart, waardoor de voorkeur aan vrije tijd boven inkomen wordt gegeven. Althans dat is de gangbare ontwikkeling. De overgang echter van 40 naar 38 uur (1985) en het huidige proces van 38 naar 36 uur (banken, rijksambtenaren, Akzo Nobel) wordt ingegeven door de druk van de werkloosheid en meer gedragen door de leiding van de vakbeweging dan door de argwanende leden. De nood der tijd en het gezag der vakorganisaties hebben solidariteit afgedwongen. Voor de werkgelegenheid in ons land is het zeker verantwoord en effectief. Vooral in het licht van de bemoedigende resultaten die voor de arbeidsduurverkorting (ADV) van de jaren tachtig zijn berekend, waarbij 5% arbeidsduurverkorting een werkgelegenheidsverruiming opleverde van 1,5% tot 2%, ofwel 70.000 banen. Deze opbrengsten zijn in het verleden te vaak gebagatelliseerd. Het zal niet gemakkelijk zijn om op landelijke schaal de 36-urige werkweek in te voeren, zelfs daar waar het organisatorisch en qua arbeidsaanbod mogelijk is. Inkomensaspiraties zijn voor velen zeer vanzelfsprekend en daarom moeilijk verenigbaar met vormen van rantsoenering als ADV in feite is. Met name voor werkenden die niet tijd- en plaatsgebonden zijn, zoals veel stafpersoneel zal ADV gauw als inkomensbeperking zonder taakvermindering ervaren worden. Dit betekent dat arbeidsduurverkorting als beleidsoptie moeilijk te materialiseren zal zijn. Dat is ernstig want het is een van de belangrijkste krachten achter de (herverdeling van) werkgelegenheid. De andere kracht is de loonmatiging. Loonmatiging heeft ons land in de jaren tachtig aan de top gebracht van landen met sterke werkgelegenheidsgroei. Waar arbeidsduurverkorting stuit op de grenzen van solidariteit, kent loonmatiging economische gevolgen, waardoor een lang volgehouden beleid ernstige nadelen met zich meebrengt. Loonmatiging leidt weliswaar tot extra groei van de werkgelegenheid, maar de produktiegroei en de koopkrachtontwikkeling blijven daarbij achter. Dat komt doordat loonmatiging de produktiviteitsstijging beperkt, alsook doordat relatief laag-produktieve groepen worden ingeschakeld. Voorts treden er ruilvoetverliezen op ten gevolge van lagere afzetprijzen. Daardoor stijgt het reële inkomen nog minder dan de produktie. Op langere termijn is dat uiteraard bedreigend voor de welvaart.

Geringere welvaart is dan de prijs voor ruimere arbeidsparticipatie en werkgelegenheid. Sommigen zullen die prijs te hoog vinden. Loonmatiging kan gezien worden als een defensieve strategie, die meer gericht is op het behoud van bestaande arbeidsplaatsen - en als zodanig niet gemist kan worden - dan op het creëren van nieuwe. Loonmatiging en arbeidsduurverkorting beogen door rantsoenering van respectievelijk loon en arbeidsduur volledige werkgelegenheid dichterbij te brengen. De grenzen - economische en sociale - komen echter in zicht, al zijn geen van beide opties uitgeput. Met name de mogelijkheden van educatief verlof zouden in onze kennisintensieve economie benut dienen te worden.

Technologische innovatie kan weliswaar werkgelegenheid vernietigen, maar levert wel koopkracht op. Deze zal met name in de dienstensector werkgelegenheid kunnen genereren. Hoge arbeidskosten hebben gewerkt als een ontwenningskuur voor persoonlijke dienstverlening. Als gevolg daarvan worden aan de vraagkant de bestedingsmogelijkheden niet benut; aan de aanbodkant ontbreekt de infrastructuur. Een voorbeeld: tweeverdieners houden gemiddeld per maand ƒ 500,- over, terwijl ze tegelijkertijd een breed scala van onvervulde behoeften hebben (kinderopvang, klussen e.d.). Daarmee is een werkgelegenheidspotentieel van 45.000 voltijdsbanen gemoeid. De overheid bevordert echter het sparen (spaarloon, fiscale faciliteiten bij winstdeling), waardoor de consumptieve bestedingen nog meer onder druk raken. Een werkgelegenheidsbeleid door middel van loonmatiging en arbeidsduurverkorting dat koopkrachtbeperkend werkt, moet vanzelfsprekend aangevuld worden met beleid dat de consumptieve bestedingen stimuleert. Verbreding van marktwerking en verlaging van de wig aan de onderkant zouden hierbij de goede richting zijn.

Zolang er nog zoveel onvervulde behoeften bestaan, èn koopkracht is, terwijl de daarvoor geschikte arbeid braak ligt, is het prematuur om de doelstelling van volledige werkgelegenheid los te laten. Bovendien kent de werkloosheid gradaties voor wat betreft de economische noodzaak tot werk zoeken. In 1992 wilden bijna één miljoen personen die niet of minder dan 12 uur in de week werkten, betaald werk hebben voor ten minste 12 uur per week. Het effectief arbeidsaanbod was beduidend lager, namelijk ongeveer de helft. Dat betreft de werkloze beroepsbevolking. Het maakt wel wat uit of voor deze half miljoen werklozen werkgelegenheid geboden moet worden of voor één miljoen aspiranten. Laten we het op het eerste houden, dan kan volledige werkgelegenheid op de politieke agenda blijven.