GEORGE RODGER 1908-1995; Fotograaf bij toeval

De Britse fotograaf George Rodger, bekend geworden met zijn mensonterende opnamen van het concentratiekamp Bergen-Belsen, is maandag op 87-jarige leeftijd in Smarden, ten zuiden van Londen overleden. Samen met beroemde collega's als Capa, Cartier-Bresson en Seymour behoort hij tot de oprichters van het internationale fotoagentschap Magnum (1947). In dit collectief kreeg Rodger van begin af aan het Midden-Oosten en Afrika in zijn portefeuille, en vooral dat laatste werelddeel zou hij in alle windrichtingen bereizen om er, ondanks oplaaiende stammen- en burgeroorlogen, het geruststellende leven van alledag vast te leggen; van moeders met zuigelingen tot rituele feesten. Zijn mooie opnamen van bijvoorbeeld de atletische Nuba-strijders, die door hun worstelpartijen een imposant, stoffig en wit-grijs uiterlijk kregen, lokte later de Duitse cineaste Leni Riefenstahl naar Soedan. Ze stelde daar haar eigen - volgens Rodger 'glossy en misleidende' - fotoboek over de Nuba's samen.

Fotografie is nooit een passie voor Rodger geweest, en ook niet geworden, zoals hij in zijn vorig jaar verschenen, lijvige fotomonografie Humanity and Inhumanity vertelde. Aanvankelijk verzeilde hij in Amerika in twaalf ambachten en dertien ongelukken. Door de recessie had hij geen droog brood op de plank. Eenmaal weer thuis fotografeerde hij hier en daar wat voor de BBC-radiobode, totdat het Amerikaanse blad Life hem vroeg oorlogscorrespondent te worden. Hij bracht een bijna sfeervol verslag uit over de Blitz in Londen, doorkruiste in de eerste oorlogsjaren Azië en vooral Afrika, om daarna samen met de geallieerden vanuit Sicilië en Italië mee te trekken naar het noorden, naar de bevrijding van Parijs en Brussel, naar de capitulatie van de Duitsers in Luneburg en naar de verschrikkingen in Bergen-Belsen. Hij maakte in dit kamp naast portretten van jonge bewaaksters, de nietsontziende beelden van de vele, vele uitgemergelde doden en bijna-doden die links en rechts zomaar op de grond of in kuilen bijeen lagen.

Die afschrikwekkende ervaring in Bergen-Belsen heeft Rodgers verdere levensloop bepaald. Een man met wie hij in het kamp sprak, was halverwege een zin dood neergevallen. “Hij viel toevallig precies in de juiste houding, en ik maakte een foto van hem”, vertelde Rodger in een interview in de jaren zeventig. “Temidden van de grootste ellende, de absolute waanzin, dacht ik aan niets anders dan aan een zo mooi mogelijke compositie. En ik voelde dat dat volstrekt verkeerd was.”

Sinds die tijd is Rodger elke conflictueuze situatie uit de weg gegaan. Emoties mochten nooit meer zo hoog oplopen en door die terughoudendheid kreeg ook zijn fotografie minder zeggingskracht. Het werd geruststellend National Geographic-werk met nogal wat oogstrelend strijklicht, wat hem vaak is kwalijk genomen.

Naast organisatorische werkzaamheden voor Magnum, bleef Roger ook later door het Midden-Oosten en Afrika reizen, om er onder meer vast te leggen wat aan vreedzame tradities verloren dreigde te gaan. Hij meed de ellende en nam genoeg afstand om niet zo geïnvolveerd te raken als zijn jong overleden collega Robert Capa, als Abbas, Eugene Smith, Eugene Richards, Josef Koudelka en later Sabastiao Salgado. En zoals hij zelf ook al had gezegd, hij miste de passie - die de intuïtie van zijn vroege Magnum-collega Henri Cartier-Bresson tot het uiterste zou scherpen.