College: verschillen sancties tegen werklozen veel te groot; Bedrijfsverenigingen moeten hun beleid snel aanpassen

ZOETERMEER, 26 JULI. Bedrijfsverenigingen straffen werklozen die niet aan hun verplichtingen voldoen, totaal verschillend. Dit is in strijd met het besluit dat de verschillende bedrijfsverenigingen voor dezelfde soort overtredingen gelijke sancties zouden toepassen.

Het College van toezicht sociale verzekeringen (Ctsv), belast met de controle van de uitvoeringsorganen van de sociale verzekeringen, heeft dit vastgesteld. Het Ctsv eist van de bedrijfsverenigingen dat ze hun beleid binnen vier weken moeten wijzigen. Deze aanpassingen hebben volgens het toezichtorgaan “een dringend karakter”; vandaar de “zeer korte termijn” die het de bedrijfsverenigingen heeft gegeven om hun straffen aan werklozen in overeenstemming te brengen met het zogenoemde Sanctiebesluit. De voorganger van het Ctsv, de Sociale Verzekeringsraad, stelde dit Sanctiebesluit vorig jaar vast, met als doel de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid door een zekere uniformering van de straffen te bevorderen.

Uit onderzoek van het Ctsv is echter gebleken dat zich in de praktijk grote verschillen voordoen. Op geen enkel onderdeel van het Sanctiebesluit blijkt een volledig uniform beleid te bestaan. Vooral de werklozen wie verweten wordt dat ze onvoldoende hebben geprobeerd te voorkomen dat ze in de WW belandden, krijgen zeer uiteenlopende strafkortingen op hun uitkeringen. De ene bedrijfsvereniging legt de werkloze dan een strafkorting van tien procent over acht weken op, een andere bedrijfsvereniging hanteert als sanctie een korting van twintig procent over zestien weken. Het Ctsv noemt deze verschillen en vooral de mate waarin ze zich voordoen “ongewenst”. Het heeft zich hierover in een brief gewend tot het Tica, het instituut dat de werkzaamheden van de bedrijfsverenigingen moet coördineren.

Het aantal mensen met een WW-uitkering is in mei van dit jaar met 12.000 gedaald tot 393.000, zo blijkt uit de meest recente cijfers van het Ctsv, die vandaag bekend zijn gemaakt. Deze daling wordt echter geheel veroorzaakt door seizoensinvloeden, zodat er in feite sprake is van een stabilisatie van het aantal WW'ers. Die doet zich al een half jaar voor; de economische groei die in 1994 begon, heeft niet tot een vermindering van het aantal WW-uitkeringen geleid.

Wel is het aantal arbeidsongeschikten met een WAO- en/of AAW-uitkering in mei opnieuw gedaald, met 3800 naar 874.500. Tegenover 6200 nieuwe uitkeringen stond een 'uitstroom' van 10.000 uitkeringen. Het aantal maandelijkse nieuwe uitkeringen lijkt, aldus het Ctsv, een nieuw en lager niveau te hebben bereikt. In de eerste vijf maanden van 1995 kregen 33.400 mensen voor het eerst een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid; in dezelfde periode in 1993 waren het er nog 43.400, een daling van 23 procent. Begin 1993 waren de nieuwe wettelijke maatregelen, zoals strengere keuringseisen en lagere uitkeringen, nog niet van kracht. Het aantal uitkeringen dat in de eerste vijf maanden in 1993 werd beëindigd, bedroeg 39.600; in de vergelijkbare periode dit jaar was dit 53.300, een stijging met 37 procent.

De fondsen waarvan uitkeringen van arbeidsongeschikten worden betaald - en die met werknemerspremies worden gevuld - verwachten in 1996 22,6 miljard gulden aan uitkeringen en andere voorzieningen te besteden. Dat is minder dan dit jaar (23,4 miljard) en vorig jaar (25,4 miljard). Het Ctsv schrijft dit vooral toe aan de strengere (her)keuringen.

Ook het fonds waaruit werkloosheidsuitkeringen worden betaald, verwacht een daling van de uitgaven: van 9 miljard dit jaar naar 7,8 miljard in 1996. De strengere voorwaarden aan werklozen om in de WW te kunnen komen, die 1 maart van dit jaar werden ingevoerd, zijn daarvan vooral de oorzaak.