Baanbrekend arrest van Hoge Raad

Vijf jaar geleden stemde de Tweede Kamer in met de zogenaamde Oort-wetgeving. Tot deze zomer bestond er onduidelijkheid over een belangrijk onderdeel daarvan. Inmiddels heeft de Hoge Raad in een baanbrekend arrest meer helderheid gegeven. Daarmee is vast komen te staan dat de Belastingdienst de afgelopen jaren op een fout spoor heeft gezeten.

Bij de Oort-wetgeving zijn veel fiscale aftrekposten onder het mes gekomen, waaronder de aftrek voor beroepskosten. Men mag sinds 1990 niet méér aftrekken dan wat onder beroepsgenoten gebruikelijk is. Deze beperking was geen idee van de toenmalige staatssecretaris Koning, maar van een span illustere Kamerleden dat destijds de fiscale wetgeving vrijwel naar zijn hand kon zetten: Vermeend (PvdA), Vreugdenhil (CDA) en De Grave (VVD). Zij vertegenwoordigden een royale meerderheid in de Kamer. Op zakelijke gronden konden ze elkaar keer op keer vinden, dwars door de coalitieverhoudingen heen. Het drietal stoorde zich aan excessen bij de aftrek van beroepskosten. Gaandeweg had bij het beoordelen van de aftrekbaarheid van de gemaakte kosten de zogenaamde redelijkheidstoets ingang gevonden. Doorslaggevend voor de aftrekbaarheid was daarbij of de kosten in redelijkheid ten behoeve van het werk waren gemaakt. Op die basis waren heel wat meer kosten aftrekbaar dan de Kamerleden acceptabel vonden; zo kon ook een videorecorder wel eens worden afgetrokken. Verwijzend naar deze 'excessen' introduceerden de parlementariërs het gebruikelijkheidscriterium: iemand mag een kostenpost alleen aftrekken voor zover onder collega's dergelijke kosten gebruikelijk zijn. Om zeker te zijn van de kwaliteit van de nieuwe wettekst, hadden de drie musketiers hem grondig doorgenomen met de Amsterdamse hoogleraar Zwemmer.

Niet bekend

Bij de vraag of aftrekbare kosten 'gebruikelijk' en dus aanvaardbaar zijn, spelen voortaan vele factoren een rol. De relatieve hoogte van de kosten blijft belangrijk, maar is niet langer alleen zaligmakend. Enige marge is zonder meer al redelijk. Bovendien heeft de Raad geoordeeld dat het niet de belastingbetaler is die de gebruikelijkheid van zijn aftrekpost moet bewijzen, maar dat de fiscus duidelijk moet maken dat een aftrekpost ongebruikelijk zou zijn. De rechters van de Hoge Raad zijn er niet uit gekomen of de inspecteur die ongebruikelijkheid keihard moet bewijzen of kan volstaan met hem aannemelijk te maken. Dat is jammer, want nu bestaat er nog steeds onduidelijkheid over de juiste toepassing van de al vanaf 1990 geldende bepaling.