Arnold was verliefd op de inwonende hit

Mijn moeder had de gewoonte mij op mijn vrije woensdagmiddagen van de kleuterschool - 'bewaarschool' werd het vroeger genoemd - mee te nemen naar een van haar vele kennissen en oude vriendinnen, als aangename tijdpassering en kosteloze verstrooiing. Zodra de laatste van de reeks aan de beurt was geweest, begon zij weer bij de eerste, en daar zij het een overbodige luxe vond van de tram gebruik te maken, leerde ik Rotterdam reeds op zeer jeugdige leeftijd in alle windrichtingen kennen.

Zo ook de Proveniersbuurt, waar we eens in de zoveel maanden tante Fietje opzochten, die aan de Spoorsingel een etage met een crèmekleurig balkon bewoonde. Zij was geen echte tante, maar de schoonzuster van mijn moeders beste vriendin, en als ik aan haar terugdenk, breng ik haar niet alleen in verband met het onvermijdelijke schoteltje suiker dat ik bij wijze van versnapering in haar onberispelijke keuken diende op te lepelen, of met de eendjes in het water van de Spoorsingel waar ik stil en braaf voor het raam naar moest blijven zitten kijken, maar ook met de foto van haar enige zoon, die in verzilverde lijst vanaf de schoorsteen nogal ontredderd de kamer in keek.

Terwijl de beide vrouwen in het ernaast gelegen vertrek thee dronken, zat ik alleen aan de keukentafel de weeë, knarsende substantie tussen mijn kiezen te vermalen en haatte tante Fietje, wier strenge uiterlijk nog afschrikwekkender werd door een lorgnet aan een kettinkje en een brede, zwartfluwelen band om haar hals. Ik durfde de absurde tractatie dan ook niet te weigeren, tot er onverwachts een einde aan kwam door toedoen van de zoon - Arnold heette hij - die ik één keer heb ontmoet op de door zijn ouders georganiseerde feestelijke bijeenkomst, toen hij voor het eerst met verlof uit Indië kwam, waarheen hij zes jaar geleden, bijna achttien jaar oud, was vertrokken.

Er werd een enorme taart met geglazuurde soesjes aangesneden, en Arnold bleek een vriendelijke, wat verlegen jongeman te zijn, met vlasblond haar en een matgele gelaatstint, achter wie je niet de aanstichter van het drama zou zoeken dat zich indertijd op de etage aan de Spoorsingel had afgespeeld. Als eerstejaars student had hij namelijk de misstap begaan tot over zijn oren verliefd te worden op de inwonende 'meid' of 'hit', zoals tante Fietje haar hulp in de huishouding betitelde, en tijdens de weekends, die hij in de ouderlijke woning doorbracht, 's nachts naar de zolderkamer te sluipen om het bed onder de hanebalken met haar te delen.

Toen de gevolgen niet uitbleven en de toestand van het meisje aan het licht kwam, had tante Fietje de aanstaande jonge moeder met een briefje van honderd op straat gezet en haar minderjarige zoon op de eerste de beste boot naar Indië, met een aanbevelingsbrief voor een neef die de functie van administrateur op een rubberplantage aan Sumatra's oostkust bekleedde.

Na die gedenkwaardige middag met de feestelijke taart hebben we Arnold niet meer gezien. Volgens mijn moeders vriendin had hij de maanden van zijn verlof hoofdzakelijk besteed aan het opsporen van zijn jeugdliefde, en toen al zijn pogingen vergeefs waren gebleven, was hij zonder van iemand afscheid te nemen naar Sumatra teruggekeerd, waar hij nog geen jaar later aan een raadselachtige ziekte overleed en ergens aan de oostkust is begraven.

Ofschoon ik na Arnolds dood was verlost van de bezoeken aan tante Fietje en de schoteltjes suiker, ben ik me altijd schuldig blijven voelen door het gevoel van opluchting dat daarmee gepaard ging. Want vanaf het moment dat het rampzalige telegram uit Indië haar bereikte, heeft zij niemand meer willen ontvangen, noch de etage willen verlaten, waar zij tot haar dood, zonder ooit nog één woord te zeggen, in de kamer met het portret op de schoorsteen naar de eendjes heeft zitten kijken.

    • Tonny van der Horst