Apache's winnen steeds vaker van de Tigre's

Met het einde van de Koude oorlog begonnen voor Europese en Amerikaanse wapenfabrikanten magere jaren. De Amerikanen reageerden op de gedecimeerde defensiebudgetten met radicale saneringen en gedurfde fusies, de Europeanen opteerden eerder voor 'pappen en nathouden'. Het voorspelbare gevolg is dat de Amerikaanse wapenfabrikanten hun Europese concurrenten met groeiend gemak wegspelen.

De zes jaren die verliepen sinds het einde van de Koude oorlog vormden een harde beproeving voor de Westeuropese defensie-industrie. De defensiebudgetten van de Europese lidtstaten van de Navo duikelden met enkele tientallen procenten terwijl de investeringen in nieuwe wapensystemen vaak nog scherper daalden. In Duitsland gingen die zelfs van 15 miljard mark in 1987 naar zes miljard dit jaar. Geen wonder dat Daimler Benz Aerospace (Dasa) de helft van zijn zestien wapenfabrieken moest sluiten en het aantal arbeidskrachten in de militaire sector terugbracht van 16.000 naar 10.000.

Nog een paar gegevens die de modale pacifist euforisch moeten stemmen: de militaire poot van British Aerospace reduceerde z'n personeelsbestand de laatste vijf jaar van 48.000 tot 31.000, terwijl dat van die andere grote Britse defensiefabrikant, GEC-Marconi, van 57.000 naar 40.000 ging. Maar de Franse militaire industrie - meest overheidsbezit - wist de saneringen met hulp van die overheid beperkter te houden. Daar is defensiepolitiek kennelijk een vorm van industriebeleid.

In Nederland, waar in 1989 nog zo'n 20.000 mensen in de wapenindustrie werkten, ging het ook rustiger toe. Ir. J.H. Dibbitz, directeur van de belangenorganisatie van Nederlandse defensie-industrieën NIIB, schat dat er sindsdien bijna 5000 arbeidsplaatsen uit de sector verdwenen. “Dat spoort zo ongeveer met de vermindering van de Nederlandse wapenaankopen”, aldus Dibbitz. “In 1989 werd daarvoor 4,5 miljard gulden uitgetrokken, nu nog 3,5 miljard.

Meer wapenexport zou natuurlijk helpen. Zo wist British Aerospace zijn wapenverkopen dankzij enkele Saoedische mammoetorders sinds 1990 nog met 10 procent op te schroeven. Het Franse staatsbedrijf Giat kon onlangs nog 390 Leclerc-tanks aan de Arabische Emiraten slijten terwijl Dassault enkele tientallen Mirage-2000 straaljagers aan Taiwan verkocht.

Toch verloren de Europeanen de laatste jaren in rap tempo wereldmarktaandeel aan de Amerikaanse defensiefabrikanten. Beheerste Europa in 1991 nog 40 procent van die wereldmarkt tegen de VS 32 procent, in 1993 was Europa al geduikeld naar 28 procent en zaten de Amerikanen op 49 procent. Een reden voor dit exportsucces is dat de Amerikaanse defensieproducenten, ondanks nog scherpere defensiebezuinigingen op hun thuisfront, zich overzee uiterst energiek toonden. Daarbij kregen zij meer dan in het verleden steun van Washington waar president Clinton beseft dat wapenexport werkgelegenheid betekent. Maar de voornaamste reden is dat de Amerikaanse defensie-ondernemingen de vruchten kunnen plukken van hun zoveel radicaler sanerings- en efficiency-maatregelen, en vooral ook van de drastische vloed van overnames en fusies. Die zorgen in een krimpende bedrijfstak, waar tegelijk de ontwikkeling van nieuwe wapensystemen steeds kostbaarder wordt, voor de noodzakelijke schaalvoordelen (economies of scale).

De grootste fusie - die tussen Lockeed en Martin Marietta - leidde vorig jaar zelfs tot de geboorte van Amerika's grootste wapenfabrikant Lockeed Martin, met een jaaromzet van 22 miljard dollar, vier keer zo groot als die van British Aerospace, Europa's grootste wapenfabrikant. Nadien verorberde Northrop collega Grumman voor 2,2 miljard dollar terwijl eerder dit jaar Raytheon het bedrijf E-systems annexeerde voor 2,3 miljard. In de VS werden zulke fusies sinds 1992 min of meer routine. Het adviesbureau Booz Allen schatte vorig jaar dat er van de top-100 van Amerikaanse defensieproducenten in het jaar 2000 niet meer dan 20 à 25 over zullen zijn.

In Europa moet de eerste transactie van zo'n omvang nog plaatsvinden en beginnen de wapenfabrikanten ten opzichte van de Amerikaanse concurrentie te lijken op stagnerende dwergen. Met alle onplezierige gevolgen vandien voor een strategische tak van bedrijvigheid die (nog) honderduizenden werk biedt. De ontluikende suprematie van de Amerikaanse wapenmakers kwam vorig maand duidelijk aan het licht tijdens de grote luchtvaartbeurs op Le Bourget bij Parijs. Daar stalen de Amerikanen de show met geavanceerde produkten als Northrops B-2 Stealth-bommenwerper, Boeings verticaal stijgende en vervolgens horizontaal wegvliegende V-22, of McDonnell Douglas' nieuwe C-17 vrachttoestel.

“Wij worden geconfronteerd met een duidelijke Amerikaanse dominantie in onze bedrijfstak”, erkende topman Manfred Bischoff van het Duitse Dasa tijdens een persconferentie op Le Bourget. “Onze nationale markten zijn gewoon te klein geworden en Europa moet daarom ook op defensieterrein als één geheel gaan optreden.” Zijn collega Luis Gallois van het Franse Aerospatiale sprak bij dezelfde gelegenheid: “De reorganisatie van de Amerikaanse militaire industrie is spectaculair. Haar omvang en gunstige kostenstructuur vormen voor ons nu grote uitdagingen. Europa moet het proces van rationalisatie opvoeren.”

Niet alleen op de wereldmarkten buiten Europa dreigen de Amerikaanse wapenproducenten de Europeanen te overvleugelen, ook in Europa zelf scoren zij met regelmaat. Omgekeerd komen Europese bedrijven er in de VS niet meer aan te pas. Afgelopen april wist McDonnell Douglas een Nederlandse order voor dertig Apache-aanvalshelikopters ter waarde van 900 miljoen dollar te veroveren ten koste van de Tigre van de Frans-Duitse combinatie Eurocopter. Toen de Britten eerder deze maand dat voorbeeld volgden en negentig Amerikaanse Apache's bestelden voor 3,2 miljard dollar, antwoordde de nieuwe Britse minister van defensie Portillo op felle Franse kritiek: “Kijk naar de Nederlanders, dat zijn zeer goede Europeanen en zij kozen ook voor de Apache.”

De Franse militaire vliegtuigbouwer Serge Dassault riep vorige maand op Le Bourget gefrustreerd uit: “Een sterke defensie-industrie is van doorslaggevend belang voor Europa. Daarom moeten de Europese politici overwegen dit soort Amerikaanse wapenverkopen te beperken tot de Amerikaanse defensiemarkt opengaat voor Europese produkten.” In een interview met het Amerikaanse vakblad Aviation Week van 26 juni j.l. liet de nieuwe Dasa-topman Manfred Bischoff vrijwel identieke geluiden horen.

Intussen lijken Dassaults en Bischoffs pleidooien voor managed trade in de wapensector weinig meer dan dagdromerij. Het kernprobleem is en blijft immers: Waarom slagen de Europese defensieproducenten er in tegenstelling tot hun Amerikaanse collega's niet in afdoende te rationaliseren en activiteiten te bundelen? “Er is in Europa wel een vergelijkbare tendens tot samengaan”, zegt vertegenwoordiger Dibbitz van de Nederlandse defensie-industrie, “maar dan veel trager. Het probleem is dat de Amerikaanse fabrikanten functioneren in één grote nationale markt met één grote opdrachtgever, het Pentagon. Wij in Europa ziten nog steeds met een x-aantal nationale markten die om redenen van nationale veiligheid, traditie of emotie goeddeels van elkaar worden afgeschermd.”

Al met al lijkt de Europese defensiesector op een bonte lappendeken met veelsoortige behoeften, opvattingen, uitrustingen en dwaze overlappingen. Op dit moment worden er in Europa drie verschillende jachtvliegtuigen, drie verschillende tanks en twee verschillende atoomonderzeëers ontwikkeld, terwijl er in Amerika met z'n dubbel zo grote strijdkrachten aan één van elk wordt gewerkt. Deze Amerikaanse 'eenlingen' - de F-22 'Stealth'-straaljager, de M1-tank en de Seawolf-duikboot - worden niet alleen geavanceerder maar ook efficiënter gemaakt dan hun Europese rivalen. En zij krijgen de onverdeelde (export)steun van Washington.

Wat is er aan deze Europese verkwisting te doen? Hoe valt er orde in de chaos te scheppen? Omdat pan-Europese fusies door nationale gevoeligheden nog nauwelijks haalbaar zijn, wordt wel gemikt op alternatieve, minder vergaande opties. Zoals een verdere consolidatie en concentratie van wapenindustrieën binnen de nationale grens waardoor er een reeks 'nationale kampioenen' ontstaat. Maar zo'n proces heeft zich in verscheidene landen zoals Duitsland (Dasa) en Groot-Brittannië (British Aerospace en Gec-Marconi) al goeddeels voltrokken. Bovendien oordelen kritici dat 'nationale kampioenen' niet de beoogde rationalisatie voortbrengen, dat zij hun activiteiten teveel versnipperen en hun overheden kunnen pressen exlusief bij hen te 'shoppen'.

Voorzitter Luis Gallois van Aerospatiale hield op een recente European Aerospace Forum-conferentie zeker rekening met een interne Franse consolidatie. Maar hij beklemtoonde dat “onze werkelijke toekomst ligt in een geïntensiveerde Europese integratie als antwoord op de dreiging van Amerikaanse mega-conglomeraten.”

Nóg een optie - bij ontstentenis van een volledige pan-Europese fusiemogelijkheid - is natuurlijk het bundelen van deelactiviteiten. Neem Eurocopter, een samenwerkingsverband waarin het Duitse Dasa en het Franse Aerospatiale hun helikopter-belangen hebben gebundeld en dat onder meer de Tigre in de aanbieding heeft. Dit is slechts één voorbeeld uit een snel groeiend aantal. Zo bundelden het Noordierse Short en het Franse Thomson-CSF hun produktie van luchtdoelraketten en bracht British Aerospace (BAe) zijn munitiepoot samen met die van de Franse collega's Giat en SNPE. Verder praten BAe en het Franse Matra over een samengaan van hun raket-divisies en doet Dasa hetzelfde met Aerospatiale.

Toch kleven er aan deze meer fragmentarische vormen van pan-Europese samengaan nadelen. “Er gaat vaak veel tijd verloren met het vaststellen van gemeenschappelijke eisen aan een militair produkt en aan het verdelen van de produktie”, vertelt ir. Dibbitz van de Nederlandse belangenorganisatie van defensie-industrieën NIID. “Eurocopter verspilde zo jaren bij de ontwikkeling van de Tigre die al begin jaren tachtig begon.”

Weer een andere mogelijkheid tot meer Europese samenwerking op defensiegebied schuilt in het ondernemen van meer gemeenschappelijke projecten, zoals het Brits-Duits-Italiaans-Spaanse 'Eurofighter 2000'-project voor de ontwikkeling en bouw van een geavanceerd gevechtsvliegtuig. Zulke eenmalige internationale projecten bieden een uitweg als de produktie van een wapensysteem te kostbaar wordt voor één natie en als bovendien de afnamebehoefte van afzonderlijke landen te beperkt blijft.

Maar ook bij deze aanpak is de kans op complicaties groot. Zo heeft elk van de partners in zo'n project het recht van veto maar is geen van die partners bij machte zo'n project er in z'n eentje door te drukken. En dat blijkt in de praktijk geen recept tot daadkracht. Ook moet de produktie over de partners worden verdeeld naar gelang hun overheden het eindprodukt afnemen. Zo'n produktieve versplintering over nationale grenzen prikkelt de efficiency evenmin. De lijdensweg van de Eurofighter 2000, waarvan de ontwikkeling intussen twee jaar is vertraagd en waarvan de kosten tot 45 miljoen dollar per exemplaar zijn gestegen, is illustratief. Al komt dat vliegtuig er definitief sinds een Bondsdagcommissie eerder deze maand - na zware druk van Daimler Benz, moeder van Eurofighter-partner Dasa - besloot een laatste barrière uit de weg te ruimen.

Naar valt te vrezen, zullen de problemen niet minder zijn bij de uitwerking van het nieuwste gemeenschappelijke Europese project: dat voor de bouw van het militaire vrachtvliegtuig FLA waaraan zeven Europese landen willen meedoen. Nu al wordt er tussen partners stevig geruzied over de verdeling van het werk.

Dat voorspoedige pan-Europese samenwerking niettemin tot de mogelijkheden behoort, bewijst het zeer succesvolle Frans-Duits-Brits-Spaanse Airbusconsortium voor de bouw van straalpassagiersvliegtuigen. Maar wat op civiel terrein goed mogelijk blijkt, ligt kennelijk moeilijker op het militaire vlak met z'n extreme gevoeligheden en lastig te ontmantelen nationale militair-industriële complexen en complexjes.

Kan de annulering van artikel 223 van het EEG-verdrag, dat nationale defensiezaken buiten elke Brusselse jurisdictie inzake het gemeenschappelijke Europa houdt, soelaas bieden? De grote Europese toetsingsconferentie (IGC), die volgend jaar wordt gehouden, zou daarvoor een goede gelegenheid bieden. “Het zou zeker een stap in de goede richting zijn”, beaamt directeur Dibbitz van de NIID. “Maar dan nog moet je vrezen dat de informele circuits voorlopig intact zullen blijven en naties hun meeste wapens blijven betrekken van hun nationale producenten.”

Dibbitz vermoedt dat de gewenste pan-Europese wapenproduktie het best kan worden gestimuleerd door vanaf de vraagkant te opereren; dat wil zeggen door tot een gemeenschappelijke Europese behoeftestelling te komen waarna een gemeenschappelijk Europees wapeninkoopbureau zaken doet met de meest capabele en efficiënte producenten, ongeacht de afname van hun overheden. “Standaardiseer je zo de vraag, dan krijg je vanzelf een meer gemeenschappelijke Europese defensieindustrie”, zegt Dibbitz hoopvol. Maar hij laat daar, minder hoopvol, op volgen: “Dit soort plannen wisselen we in Europa al jarenlang uit. Die worden dan bestudeerd en soms zelfs goedgekeurd. Maar tijdens het proces van realisering sneuvelen ze tot nu toe steevast.”