Rijp voor de psychiater?

In 1971 gingen koningin Juliana en prins Bernhard op officieel bezoek naar Indonesië. Groot succes. Aan beide zijden werd het bezoek gezien als een bezegeling van de normalisering tussen twee volken die zich nog geen kwart eeuw tevoren hadden beoorlogd en tien jaar tevoren bijna opnieuw elkaar naar de keel gevlogen waren.

Nu, 24 jaar later, lijkt het alsof dat bezoek van koningin Juliana helemaal niet heeft plaatsgevonden en de Nederlands-Indonesische betrekkingen niet al lang zijn genormaliseerd. Nu immers wordt het bezoek dat koningin Beatrix straks aan Indonesië gaat brengen, aangekondigd als het bezoek der bezoeken, van welks welslagen alles afhangt.

Deze keer heeft het bezoek, anders dan dat van 1971, veel voeten in de aarde. Moet de Koningin überhaupt wel gaan? En zo ja, moet ze zich dan namens Nederland gaan verontschuldigen voor driehonderd jaar kolonialisme of twee politiële acties? Moet zij van de gelegenheid gebruik maken om Soekarno, de grote tegenstander van weleer, te eren? Moet het bezoek wel of niet samenvallen met de verjaardag van Indonesiës onafhankelijkheidsverklaring?

Wat is er allemaal gebeurd dat iets wat in 1971 geen enkele rimpeling in de Nederlandse publieke discussie veroorzaakte, nu een geweldige ophef teweegbrengt? Eén ding is zeker: aan Indonesische kant is er niets veranderd; zelfs het staatshoofd is dezelfde gebleven. Er moet dus iets in Nederland veranderd zijn. Maar wat?

Die vraag kon ook gesteld worden na het bezoek van bondskanselier Kohl aan Nederland in mei van dit jaar. Eveneens groot succes. Een mijlpaal in de geschiedenis tussen beide volken werd het genoemd. Maar vergeten was dat hetzelfde gezegd was na de bezoeken van de bondspresidenten von Weizsäcker (1985) en Heinemann (1969), terwijl een eerder bezoek van bondskanselier Erhard eveneens in alle vriendschappelijkheid was verlopen en geen commotie had veroorzaakt.

Wat was er dan intussen gebeurd dat Kohls bezoek met zoveel spanning werd afgewacht? Niets. Althans: niets aan Duitse kant. Het was dezelfde Bondsrepubliek waarmee we zowel in de jaren '60 als in de jaren '90 te maken hadden: niet minder democratisch, niet minder vredelievend. Conclusie (alweer): er moet dus iets in Nederland veranderd zijn. Maar wat?

Als Indonesië en Duitsland al tientallen jaren geleden als normale landen beschouwd werden waarmee hartelijke betrekkingen mogelijk waren en er sindsdien in die landen niets gebeurd is wat tot een andere conclusie zou kunnen leiden, dan moet het Nederland zijn dat in die tussentijd van de norm is afgeweken, met andere woorden: een abnormaal land is geworden.

Maar is het dat in de ogen van het buitenland niet al lang? Oud-minister Kooijmans van buitenlandse zaken, toch de normaalste man die men zich denken kan, zegt in een interview in de Haagsche Courant van 22 juli: “Ik had vaak het idee dat de andere (Europese) ministers dachten: 'Ojee, daar begint'ie weer'.” Hij wilde toen een resoluter optreden tegen de Serviërs dan zijn collega's. Maar ze volgden hem niet. Hij viel dus buiten de norm.

Achteraf kunnen we zeggen: hij had gelijk. Maar dit gelijk wordt, in de ogen van dat buitenland, grotendeels te niet gedaan door de capitulatie van de Nederlandse blauwhelmen in Srebrenica. We weten wel: ze konden niets anders, want ze waren niet uitgestuurd en uitgerust om te vechten.

Maar ik moet bekennen dat toen ik, als eenvoudige televisiekijker, die Nederlandse blauwhelmen na de val van Srebrenica de orde zag handhaven tussen de bevolking, eenzelfde reactie bij mij opkwam als bij de Franse minister van buitenlandse zaken - een reactie die de woede opwekte van de minister-president en de minister van buitenlandse zaken (de laatste had een extra reden, omdat hij de verbetering van de Nederlands-Franse relatie juist tot een zijner prioriteiten had verheven).

Dat de Franse minister niet de enige was die een - misschien verkeerde - indruk kreeg van Nederland, dat altijd om een robuuster optreden geroepen had, bleek toen ik enkele dagen later een correspondent in Sarajevo op het programma Newsnight van de BBC hoorde zeggen dat de Nederlanders in Srebrenica hadden besloten “to cut and run” (= 'm smeren), en een correspondent van de Financial Times in dezelfde stad spreekt op 22 juli van de “catastrofale capitulatie en vlucht”.

Der Spiegel van deze week vertelt, een Bosnische vluchtelinge citerend, dat de Serviërs “samen met de Nederlanse blauwhelmen” door de straten van Srebrenica trokken. Sommige van die Nederlanders waren door de Serviërs “tot op hun onderbroek” uitgekleed. Juist of niet - het geeft een enigszins ander beeld dan dat hetwelk de Nederlandse media ons verschaffen.

En in hoeveel van onze kranten heeft de foto van overste Karremans gestaan die, weliswaar ietwat beteuterd, het glas heft met generaal Mladic? In Time, dat door miljoenen gelezen wordt, stond die foto. Zijn prijzende opmerkingen over het optreden van de Serviërs tijdens zijn persconferentie te Zagreb tasten ook het beeld aan dat de buitenwereld van de Serviërs heeft - een beeld dat minister Voorhoeve twee dagen tevoren nog eens had bevestigd door hen, in het voetspoor van zijn collega Pronk, van “genocide” te beschuldigen.

Wie moeten we geloven? Vertelt de buitenlandse pers leugens en lijden Karremans en zijn mannen, die ook meer op de Servische dan op de Bosnische hand schijnen te zijn, allemaal aan het zogenaamde Stockholmsyndroom (identificatie van gijzelaar met gijzelnemer)? Of stappen politici, net als andere mensen, niet graag van een beeld af dat ze hebben helpen scheppen?

Eén ding weet ik: de aanblik van die terugtrekkende Nederlandse soldaten - laten we de beelden uit Srebrenica of Potocari maar even vergeten - heeft mij nu niet bepaald de borst van nationale trots doen zwellen.

De Nederlanders in Srebrenica hebben, laten we hopen, binnen de beperkingen van hun opdracht en de mogelijkheden ter plaatse, hun plicht gedaan, maar moeten we ze ook dadelijk als helden bestempelen - een kwalificatie die minister Voorhoeve hun al vorige week gaf? Wordt het woord daarmee niet gedevalueerd? Hoe moeten straks dan niet de Nederlandse mariniers, die wèl als vechtsoldaten zijn uitgezonden, genoemd worden - ingeval zij van hun wapens gebruik hebben moeten maken?

Hier liggen ingrediënten voor een collectieve psychose: gevoelens van vernedering (of althans frustratie), verongelijktheid en een beginnende heldenverering. Intussen wordt, in overeenstemming met onze zieligheidscultuur, wèl een leger van psychologen en welzijnswerkers op die helden losgelaten. Zou niet eerder het hele Nederlandse volk op de sofa van de psychiater moeten gaan liggen?

    • J.L. Heldring