Quirine Viersen speelt levendig en smaakvol

Concert: Beethoven Academie o.l.v. Jan Caeyers. Soliste: Quirine Viersen, cello. Gehoord: 24/7, Concertgebouw, Amsterdam.

Tweeëntwintig jaar is celliste Quirine Viersen, een leeftijd waarop men als jonge musicus de aanstormende emoties bij voorkeur vertaalt in hevig romantische muziek. “Ik houd van dramatische muziek, de concerten van Schumann en Dvorák zijn mij heel dierbaar”, stelde zij vast in december, toen zij de Nederlandse Muziekprijs ontving. Des te opmerkelijker was haar prestatie gisteravond in Haydns Celloconcert in C, muziek die appelleert aan speelsheid, helder intellect en een uitgebalanceerd stijlgevoel.

Haydns idioom lijkt kinderlijk eenvoudig, maar in werkelijkheid is het, meer dan de romantiek, een test voor muzikale volwassenheid. Quirine Viersen blijkt dit stadium bereikt te hebben met behoud van al haar jeugdige spontaniteit. Vol enthousiasme stortte zij zich op haar C-snaar en gaf daar een serie stevige roffels weg om vervolgens trefzeker in de hoogte een lyrische lijn op te bouwen.

De vele virtuoze riedels werden met een verbazend gemak aan de slof uitgevoerd waardoor ze markant en knapperig vers klonken. Maar ook de innigheid en de verborgen dramatiek van het middendeel wist Viersen uit te beelden met dat zeldzame gevoel voor de juiste verhoudingen waarvoor in de tijd van Haydn het adjectief 'smaakvol' van toepassing was.

In haar levendige benadering wist Viersen de Beethoven Academie maar met moeite mee te krijgen. Het ensemble dat twee jaar geleden volgens een nieuwe formule ontstond uit het Nieuw Belgisch Kamerorkest, en dat zich nu in kleine formatie inzet voor historisch verantwoorde uitvoeringen èn eigentijds repertoire, volgde de solist op de voet maar tot een echte dialoog wilde het niet komen. In Beethovens Ouverture 'Coriolan' klonken de strijkers aanvankelijk veelbelovend, er werd duidelijk gearticuleerd en de klank had diepte door het stevige fundament van celli en bassen.

Helaas werd door de blazers al gauw de balans verstoord, en dirigent Jan Caeyers bleek niet bij machte een eenheid te smeden. Zo leek het of het orkest uit twee 'partijen' bestond: de naar een historische klank strevende strijkers en de op het grote symfonieorkest geprojecteerde blazersklank. Dat uit deze onenigheid geen uitgebalanceerde interpretatie van Beethovens Eerste symfonie kon voortkomen, was te verwachten.