Meebouwen aan de eeuwigheid

Als het onweert, geloof ik nog wel 's aan goden - in die zin dat ik mij afvraag hoe de oude Germanen zich hun god Donar voorstelden. De geweldenaar Donar die zijn vuurstenen vuistbijl door het luchtruim slingerde dat de vonken eraf spatten. Dan denk ik aan die ene slimme Germaan, wie het niet ontging dat Donar 's zomers actiever was dan 's winters, maar ook 's zomers alleen maar bij warm en drukkend weer. En dat je het uur dat hij te keer zou gaan haast kon voorspellen. En waarom moest het tijdens zijn tocht langs de hemel, maar vooral erna, altijd zo hevig gaan plenzen?

Dat ik niet meer in goden geloof en zeker niet in Donar - is om redenen die ik heel goed begrijp. Maar het komt niet omdat ik een diepere kennis van onweer zou hebben. Ik weet iets van elektrische ontladingen tussen wolken, tussen wolken en aarde, van elektriciteit in het algemeen. Positief of negatief geladen ionen, en zelfs herinner ik mij een artikel waarin werd uitgelegd dat een bliksemstraal die de aarde treft geïnitieerd wordt door de aarde, die een zwangere wolk die boven hem hangt met een uiterst dunne ontlading hemelwaarts tot gids dient: hierheen, hier moet je langs (enigszins zoals je een zware scheepstros op wal trekt door middel van een dun koord dat je al eerder is toegeworpen) - een miljoenste seconde voordat de wolk zich ontlaadt. Leuk verhaal, maar het fijne weet ik er niet van en ik bepaal me in mijn twintigste-eeuwse denkwereld als het om onweer gaat tot: onweer is het overspringen van elektrische vonken. Maar zijn de vonken die je uit twee vuurstenen slaat niet even goed elektriciteit? En wat is dan het verschil tussen onweer en vuursteen? Ik denk daarom dat je, als je 2000 jaar voor Christus onweer ziet als een grote vuursteen in handen van een toornende god, het verschijnsel niet eens veel minder begrijpt dan wanneer je het zoveel jaar ná Christus ziet als een 'elektrische ontlading'.

Als je een vreemd verschijnsel weet in te passen in een geheel, kun je zeggen dat je dat verschijnsel begrijpt. Als je een verschijnsel begrijpt kun je het ook voorspellen. Zo lijken er vele manieren te zijn om het vreemde verschijnsel 'mens' te begrijpen, en wel op zijn minst zovele als er religies zijn. Vaak zijn religies gebaseerd op een openbaring. Deze openbaringen zijn altijd met elkaar in strijd en bijgevolg staan doorgaans ook de mensen elkaar naar het leven. Religies gaan, net als mensen, ten onder en maken plaats voor nieuwe - al zullen ze vaak de naam van de oude religies overnemen. Wat nieuwe strijd geeft.

De mooiste, beste en vredigste religie is de natuurwetenschap, want die is gebaseerd op het getal. Een goede, sterke basis, want het getal, het tellen, is het enige in de wereld dat nooit verandert. Omdat het getal nooit verandert, zal alles wat in getallen kan worden uitgedrukt en begrepen, meebouwen aan de eeuwigheid - in elk geval zolang als er creaturen bestaan die kunnen tellen. Als je een verschijnsel kunt beschrijven door middel van getallen, zul je, omdat het getal niet verandert, het min of meer kunnen voorspellen. Wat je niet kunt voorspellen hoort niet tot de natuurwetenschap.

De meteorologie hoort heden ten dage tot de natuurwetenschap. Je kunt van elke plek op aarde de luchtdruk meten, de temperatuur, de vochtigheid, de snelheid van de wind en de richting waarin hij waait. Als je van elk punt deze gegevens kent, kun je voorspellen hoe op dat punt de toestand over laten we zeggen vijf minuten is. Omdat je dat dan weet of kunt uitrekenen, kun je van daaruit ook uitrekenen hoe op elk punt de toestand is over tien minuten. Enzovoort. Als je van elk punt alles weet, kun je voorspellen, want uitrekenen, wat voor weer onze kindskinderen hebben in het jaar 2084, op 25 juli, om 17.45 in Amsterdam.

Dat dachten we, dat we dat konden. Omdat de grote wiskundige Laplace dat schreef, aan het begin van de negentiende eeuw. En omdat we dachten dat weersomstandigheden volledig in getallen konden worden uitgedrukt. Maar net als in de levende natuur zijn er in de bewegende, maar dode, mechanische weersomstandigheden plaatsen waar leven ontstaat, het begin van een depressie bijvoorbeeld, of zelfs de geboorte van een wolk - die niet beschreven kunnen worden, omdat we niet van te voren weten welke plaatsen dat zijn.

Het weer-voor-de-volgende-dag kunnen we, als we de statistieken mogen geloven, voorspellen met 80 procent zekerheid, voor overmorgen met 60 procent, enzovoort. Hoe het weer over 5 dagen is, weten we niet. Zullen we ook niet kunnen weten, want tegen die tijd zijn we overweldigd door al het leven in de lucht dat we nu nog niet kunnen waarnemen omdat het nog niet is ontstaan. Wáár leven ontstaat, dat wordt bepaald door het toeval. Hoe het toeval werkt weet niemand. Zodra je enige wetmatigheid ontdekt en een idee hebt hoe het werkt, is het geen toeval meer. Het wijkt terug voor onze wetenschap, die de vitale spelbreker onder de knie houdt en zelfs verdooft, maar als een veenbrand duikt het telkens weer ergens anders op: de wereld kan het niet zonder leven stellen.

De enige misschien die weet hoe toeval werkt en waar leven ontstaat is God - als we God definiëren als Degene die alles weet. De enige die weet wat voor weer we gaan hebben, de volgende week of in 2084, is God. Dat komt omdat Hij tijdloos is. Het maakt Hem niet uit. Hij weet wat er gebeuren zal. De uitvoering laat Hij over aan de elementen, die we 'de weergoden' noemen - als we willen aangeven dat wij het zelf niet weten. We krijgen ze nooit te zien. Tijdens onweer denken we misschien aan een soort Donar die langs de hemel raast, of aan elektrische ontladingen. Maar begrijpen doen we het niet. Niet te voorspellen waar en wanneer de bliksem zal inslaan.