Kunst van migranten oprecht maar zwaar

Tentoonstelling: Het land dat in mij woont. Literatuur en beeldende kunst over migratie. T/m 24 sept. Museum voor volkenkunde, Willemskade 25 Rotterdam. Di t/m za 10-17u, zo 11-17u. Cat ƒ 20,-

Twee manshoge zwart-witfoto's en een kamerbreed karpet had de Braziliaanse kunstenaar Claudio Goulart nodig om een volledig beeld van zichzelf te schetsen. Of beter gezegd, om aan te tonen dat zijn persoon niet in een enkel beeld te vangen is. Goulart, die twintig jaar geleden naar Nederland immigreerde, portretteerde zich in Italiaans maatkostuum, zijn ogen verscholen achter een blinddoek. Maar ook nog een keer naakt, pronkend met zijn geslacht in de hand, terwijl hij met zijn andere hand angstvallig zijn gezicht afschermt. Voor de foto's strekt zich een kleurig kleed uit, samengesteld uit de geïllustreerde bladzijden van een Marokkaans kinderboek.

Goulart liet zich inspireren door het gedicht Zomaarcafé van Mustafa Stitou, die het bestaan als migrant en het breukvlak van twee culturen beschrijft. Stitou is de jonge Marokkaan die in een Amsterdams café ogenschijnlijk als ieder ander om een biertje roept, maar binnensmonds nog altijd 'gewoontegetrouw gewichtslooslauw' om bismallah vraagt. Alleen zijn anderstalige gedachten binden hem hier nog aan zijn thuisland. Maar daar op het 'strand oranje parasollenbezaaid' wordt hij geconfronteerd met 'duizenden ouders/ die menen dat ik onherkenbaar/ een man geworden ben, waarover/ ik fantaseer.'

Lichte spot of nuchterheid, zoals in het werk van Goulart en Stitou, is uitzonderlijk op de tentoonstelling Het land dat in mij woont in het Rotterdamse Museum voor Volkenkunde. Zeven kunstenaars werd gevraagd te reageren op gedichten en tekstfragmenten van de 'migranten' Cándani, Nasim Khaksar, Vera Illés, Ana Sebastián, Duoduo en Mustafa Stitou. Dat resulteerde in schilderijen, installaties, foto's en beelden, over thuisloosheid en vervreemding. Over heftige emoties van heimwee en rusteloosheid.

Waar Goulart zijn afkomst speels op de hak neemt door met een knipoog te verwijzen naar het vermeende temperament van de Braziliaanse Don Juan, en Stitou zijn heimwee nuanceert met een lichtvoetige dichterlijke vrijheid, blazen de anderen hun gevoelens op en soms doet dat afbreuk aan de geloofwaardigheid van hun zwaarmoedigheid.

Nasim Khaksar, bijvoorbeeld, verwoordde zijn ontworteling in de melancholische regels: 'En dan langzaam, heel langzaam, begint het. Je ziet jezelf. (...) Herinnering na herinnering komt boven. (...) Je ziet alles en je ziet niets. Je beseft dat je leven verdoemd is, vervloekt'. Het beeld dat Tom Zandwijken bij de tekst maakte is soberder, zachter ook. Hij hing vier jeugdfoto's op van zijn vader, zijn moeder, zijn broer en zichzelf. Hun gezichten zijn schimmen geworden, nauwelijks zichtbaar door de vitrage die de portretten bedekt. Minder hemeltergend, maar indringender.

Voor subtiliteit is in het werk van de Somaliër Abdinasser Maxmud Ibrahim geen ruimte, zijn waarheid is wreed en hard. Om greep te krijgen op de herinneringen aan zijn vaderland timmerde hij provisorisch een houten kist in elkaar, waarin hij persoonlijke bezittingen verbrandde. Toch bleven er beelden op zijn netvlies gebrand: aangrijpende foto's van het Somalische regeringsleger, uitgemergelde kinderen en rouwende vrouwen bleven door het vuur onaangetast. In de tekst van Ana Sebastián, waarop Ibrahim zijn installatie baseerde, komt de Argentijnse schrijfster tot de weinig verrassende slotsom dat een herontmoeting met je geboorteland vooral een ontmoeting met jezelf is.

De publicist Anil Ramdas waarschuwt in zijn essay in de begeleidende catalogus voor die cultivering van melancholische gevoelens. Het maakt de migrant tot een romantische en onwaarachtige karikatuur, die bezwijkt aan zijn eigen melodrama. De migrant - stelt Ramdas - is alledaagser en minder uniek geworden sinds de telefoon en de fax hem in staat stellen iedereen te bereiken en sinds 'de grootte van de portemonnee vaker een beperking is dan de grootte van een oceaan of de hoogte van de muur'.

Ook het Museum van Volkenkunde is zich daarvan bewust. Richtte het museum zich aanvankelijk op niet-westerse kunst, sinds tien jaar wil het vooral de overeenkomst en de uitwisseling tussen de verschillende culturen benadrukken, en niet, zoals voorheen, op de scheiding tussen westerse en uitheemse kunst. Het land dat in mij woont past in dat beleid, ook al koesteren de deelnemende kunstenaars hun tragisch lot.

Niet dat dat geen prachtige poëtische regels kan opleveren, zoals van de Chinese dichter Duoduo: '(...) Dat ik mogelijk een bestemming had maar niet meer zou aankomen. Alleen omdat ik allang niet meer zou aankomen, bleef ik voortgaan, maar door voort te gaan zou ik niet meer aankomen'. En niet dat dat geen sterke beelden kan voortbrengen, zoals de zwarte marmeren grafzerk van Michal Shabtay waarin in grote kapitalen MAMMA staat gekerfd en waar alleen de verlaten kinderschoentjes op het zand herinneren aan een pijnlijk afscheid. Er spreekt weliswaar oprechtheid uit het geëxposeerde. Maar de overvloed aan uitvergrote emoties maakt dat de meeste beelden en teksten, zoals Ramdas al voorspelde, aan hun zwaarte ten gronde gaan.