Italië is voor autokoper het echte Mekka

BRUSSEL, 25 JULI. Het prijsverschil bij de aankoop van een auto in de Europese Unie is het afgelopen halfjaar fors toegenomen. Dat blijkt uit een onderzoek van de Europese Commissie. Italië is voor tweederde van de 75 onderzochte modellen het goedkoopste land voor de aankoop van een (belastingvrije) nieuwe auto.

Het verschil met Nederland varieert van 7 procent voor een Mitsubishi Colt tot 48 procent voor een Ford Fiesta 1,1 liter. Het enige type dat in ons land het goedkoopst te krijgen is, is de Subaru Legacy Sedan 2,0.

Voor de Range Rover V8 en de Mercedes S 2,3 alsmede voor de Fiesta moet de Nederlandse burger in eigen land het meest op tafel leggen. Oostenrijk blijkt overigens voor de autoliefhebber het duurste land te zijn. Daar betaalt de consument voor 33 modellen de hoogste prijs.

De Europese Commissie streeft ernaar dat de prijzen voor goederen in de vijftien lidstaten in de komende tijd naar elkaar toegroeien. Op de automarkt is eerder sprake van het tegendeel. In een toelichting op het rapport moest de Commissie gisteren erkennen dat de pogingen om de prijsverschillen binnen de Unie in te dammen zijn mislukt.

In 1994 was nog sprake van relatieve stabiliteit. Het percentage modellen dat binnen de Unie een prijsverschil noteerde van meer dan 20 procent, daalde van 24 procent naar 18 procent. Vanaf november vorig jaar begonnen de prijsverschillen echter weer fors op te lopen, mede als gevolg van de valutaschommelingen.

De Italiaanse lire werd ten opzichte van de ecu een stuk goedkoper. Bovendien bleek een aantal buitenlandse autofabrikanten het koersverlies niet te willen doorberekenen uit vrees voor het verlies van marktaandeel aan de Italiaanse merken. Het gevolg was dat Italië het Mekka werd voor koopjesjagers uit andere Europese landen.

Veel mogelijkheden om de prijsverschillen tegen te gaan heeft de Commissie op dit moment niet, aldus een woordvoerder. Waar het nu om gaat, is er voor te zorgen dat bij voorbeeld Italiaanse dealers kooplustigen uit andere Europese landen niet de deur wijzen. De Commissie heeft daarover veel klachten binnengekregen van consumentenorganisaties. Zolang er prijsverschillen bestaan, moet iedere burger binnen de Unie daarvan kunnen profiteren, stelde de woordvoerder.

De Europese Commissie gaat ervan uit dat de prijsverschillen voor auto's in de EU niet groter mogen zijn dan 12 procent. De Commissie realiseert zich echter wel dat er rekening moet worden gehouden met valutaschommelingen. Voor een periode van minder dan een jaar is een prijsschommeling van 18 procent in bepaalde gevallen derhalve aanvaardbaar voor de EU.

Een mogelijkheid om de prijsverschillen enigszins te compenseren is een harmonisering van de belastingen op auto's. In Nederland is de belasting op personenwagens en motoren (BPM) en BTW voor nieuwe auto's 33 procent. In Duitsland is dat 15 proccent en in Italië 19 procent.

Sinds 1992, toen de EU-commissie haar eerste verslag over de autoprijzen publiceerde, devalueerde de lire met 40 procent tegenover de sterkere Europese munten; de Spaanse peseta en de Zweedse kroon met 30 procent en de Portugese escudo en het Engelse pond met 20 procent. Het is volgens de ACEA (de vereniging van Europese autoconstructeurs) derhalve logisch dat voor 90 procent van de 75 onderzochte modellen de laagsate prijzen in Italië, Zweden en Spanje worden genoteerd.