Indonesische Nieuwe Orde houdt intellectuelen in een wurggreep

Vrijheid van vereniging en van meningsuiting zijn in Indonesië nog geen verworvenheden. Zelfcensuur, telefonische intimidatie en corruptie beheersen de culturele wereld. pleit voor een intellectueel klimaat waarin de burger geen vergunning nodig heeft om een vergadering te beleggen.

Op 12 mei jongstleden werd door een groep vooraanstaande kunstenaars en intellectuelen in Indonesië een verklaring ondertekend. Het betrof een pendant van de Manikebu, of Cultureel Manifest, een document dat in augustus 1963 werd ondertekend uit protest tegen het beginsel van 'de politiek als bevelvoerder'. De geschiedenis blijkt zich altijd weer te herhalen.

Destijds werd de context gevormd door de Geleide Democratie (1959-'65) van president Soekarno's 'Oude Orde', afgekondigd na acht jaar van vrije democratie. Het manifest was gericht tegen het 'socialistisch realisme' gehuldigd door de Lekra, de culturele organisatie van de PKI (Communistische Partij van Indonesië), die toen het culturele leven domineerde. Als gevolg van krachtig lobbyen door de PKI verbood Soekarno de Manikebu-groep negen maanden later, op 8 mei 1964. Op het verbod volgde een zuivering onder de ondertekenaren en aanhangers van Manikebu. De 'Manikebuïsten' moesten 'in revisie' zoals Soekarno het noemde in een toespraak, 'om contra-revolutionaire elementen te elimineren'. De namen van de Manikebuïsten werden gepubliceerd, ze werden ontslagen, gedwongen ontslag te nemen of om onder pseudoniem te schrijven. Ze mochten hun werk niet langer publiceren, hun boeken werden verbrand. De creativiteit en de vrijheid van meningsuiting in het algemeen leden schade.

Hoewel de Verklaring van Mei 1995 teruggrijpt op en verwijst naar het Manikebu-document, is zij volgens de ondertekenaren niet louter een herhaling daarvan. Maar ondanks verschillen in context, toonzetting en bewoording zijn zowel de Verklaring als het Manifest in wezen protestbetuigingen tegen hetzelfde verschijnsel, namelijk autoritarisme, onderdrukking en de opvatting dat 'macht is recht'. Men hoeft 'de politiek als bevelvoerder' maar te vervangen door 'veiligheid en ordelijkheid' (keamanan dan keteriban), 'revolutie' door 'nationale ontwikkeling', 'geleide democratie' door 'nationale stabiliteit', de Lekra door de Golkar (de heersende elite) en men heeft soortgelijke acteurs in een veranderde nationale context en tegen een ander internationaal decor, die echter hetzelfde stuk spelen, of ten minste variaties op hetzelfde thema.

Het regime van de 'Nieuwe Orde', dat inmiddels bijna dertig jaar aan de macht is, is er uitstekend in geslaagd het intellectuele en culturele leven in Indonesië onder zijn controle, toezicht en politiebewaking te brengen. Het belangrijkste is nog dat het een situatie heeft weten te scheppen waarin de meeste mensen zich gedragen naar de wensen van de machthebbers. De regering van de Nieuwe Orde kent een traditie van regelrechte verboden van, en censuur op, toneelstukken, films, boeken, tijdschriften en kranten, het intrekken van vergunningen (vaak met een beroep op vormfoutjes), het niet verlenen van toestemming (voor theater, symposia, discussies), het à la minute ontbinden van vergaderingen en het gewelddadig onderdrukken van vreedzame demonstraties.

Dan is er de 'telefooncultuur', de gewoonte van de autoriteiten kranten of tijdschriften te bellen met de waarschuwing een bepaald verhaal niet af te drukken. Diverse studies hebben aangetoond hoe de regering de kanalen van onderwijs, amusement en communicatie gebruikt om haar invloed uit te oefenen. De opkomst, sinds 1987, van particuliere televisiestations met programma's bestaande uit massacultuur op het laagste niveau, heeft deze situatie nog verergerd. Bovendien is er sprake van een aanzienlijke inconsequentie in de behandeling van de elektronische media, die niet aan strenge censuur zijn onderworpen. In Indonesië is het 'informatietijdperk' op de televisie gereduceerd tot vermaak met een beetje informatie. Ongeveer 75 procent van de uitzendingen bestaat uit amusement en reclame, waardoor het publiek in een consumentistische, gedachteloze lethargie wordt gebracht.

De sfeer die door zulke methoden wordt gecreëerd is zodanig dat mensen niet eens voelen dat zij in hun handelen worden beperkt. Een bij uitstek kwaadaardig verschijnsel is dat van de zelfcensuur, waarbij de controle geïnternaliseerd is geraakt. De controle over en manipulatie van de menselijke geest en psyche, hetzij met directe hetzij met indirecte middelen, heeft tot gevolg dat de logica wordt verwrongen, het kritisch denken vervaagt en politiek bewustzijn wordt onderdrukt.

De Verklaring van Mei is tevens op te vatten als een uitbreiding op de Verklaring van Sirnagalih, die werd opgesteld na het verbod op drie bladen (Tempo, Editor en DeTik) in juni 1994. De Verklaring 'verwerpt het eenzijdige, gedwongen gebruik van informatie ten voordele van bepaalde individuen en groepen'. Haar meest rechtstreekse, concrete resultaat was de vorming van een Alliantie van Onafhankelijke Journalisten (AJI). Net als de SBSI (de Indonesische Bond van Welvarende Arbeiders), die zichzelf beschouwt als een alternatief voor de staatsvakbond SPSI (Pan-Indonesische Arbeiders Bond), ziet de AJI zichzelf als een alternatief voor de Vereniging van Indonesische Journalisten (PWI), de van regeringswege ingestelde 'erkende' organisatie voor journalisten. 'Erkende' organisaties zijn een corporatistisch middel van de Nieuwe Orde om arbeiders, boeren, vissers, jongeren, vrouwen en journalisten onder controle te houden. Het ontstaan van de AJI is duidelijk een uiting van de behoefte aan vrijheid van vereniging, die door de wet wordt gegarandeerd, maar in de praktijk niet bestaat. Tal van AJI-leden zijn uit hun betrekking ontslagen en kunnen vrijwel niet meer aan het werk komen bij de grote media, of zelfs als zelfstandige schrijvers. De laatste tijd zijn de autoriteiten ook overgegaan tot fysieke intimidatie: het arresteren van AJI-leden voor het produceren van Independen, een ondergrondse publikatie. Behalve dat Independen geen vergunning had, werd het blad er ook van beschuldigd 'aan te zetten tot haat tegen de regering', wat dikwijls betekent dat men zich kritisch uitlaat of meningen verwoordt die afwijken van wat de machthebbers vinden. Veel wetten die worden gebruikt om de bevolking onder de duim te houden en dissidenten aan te klagen, vinden hun oorsprong in de koloniale tijd, toen de Nederlandse autoriteiten een soortgelijke controle uitoefenden op de cultuur en de vrijheid van meningsuiting.

Zware kritiek wordt op dit ogenblik geleverd door activisten en intellectuelen op de praktijk om vergunningen af te geven - voor toneelstukken, opvoeringen, symposia en discussiebijeenkomsten. Ook de instelling van de SIUPP ondervindt kritiek. Dit zijn vestigingsvergunningen voor kranten en tijdschriften waarvoor niet alleen grote sommen geld nodig zijn maar ook connecties met hooggeplaatsten. Dit heeft geleid tot de ironische situatie dat burgers moeten betalen (ook met smeergeld) om zich te laten controleren. Klem gezet tussen politieke druk en economische concurrentie houden alleen die media het hoofd boven water die zich toeleggen op kapitaalvergaring en tegelijkertijd de politieke lijn van de staat, ofwel de regering, volgen. Het politiek-economische vergunningenstelsel heeft ook nog een mondiale tendens in de hand gewerkt: de samensmelting van de massamedia, die doorgaans de rijken en machtigen in de kaart speelt.

Politieke waarnemers hebben gewezen op de opmerkelijke continuïteit tussen de Oude en de Nieuwe Orde, en zelfs sinds de koloniale tijd. Hoewel de koloniale tijd en de Nieuwe Orde een neiging tot kapitaalverwerving gemeen hebben die de Oude Orde miste, hadden en hebben in al deze drie perioden overwegingen van veiligheid en macht de overhand.