Groene accijnzen: paars zelfbedrog

Het paarse kabinet is van plan gezinnen en kleine bedrijven met ingang van 1996 op een nieuwe milieubelasting te tracteren: de energiebelasting. Stemt het parlement met dit voornemen in, dan wordt elektriciteit de komende drie jaar in totaal 3,5 cent per kilowattuur duurder. De prijs van aardgas valt als gevolg van de voorgestelde energiebelasting in 1998 ruim 11 cent per kubieke meter hoger uit. Uiteindelijk moet deze heffing meer dan 2 miljard gulden per jaar opbrengen. Het is niet de bedoeling deze extra opbrengst te gebruiken voor de financiering van allerlei nieuwe overheidsuitgaven. Burgers en bedrijven krijgen de opbrengst van de energiebelasting terug via een verlaging van de belastingen op winst en arbeidsinkomen. Deze operatie werd in de Miljoenennota 1993 bewierookt als een 'tweesnijdend' zwaard. De prijsstijging van energie zou verbruikers prikkelen om zuiniger te stoken en het licht niet nodeloos te laten branden. Tegelijkertijd zouden de hoge lasten op arbeid en ondernemersinkomen wat kunnen dalen. Zo wordt iets gedaan aan de grote kloof tussen loonkosten en nettoloon (de 'wig'), terwijl ondernemers meer winst overhouden voor de financiering van hun bedrijf. Wordt arbeid goedkoper en ondernemen fiscaal aantrekkelijker gemaakt, dan krijgt de economie een impuls. Tot zover de theorie. Nu de praktijk.

De voor lastenverlichting beschikbare twee miljard zal worden gebruikt om de belastingvrije som, dat is de eerste 6074 gulden van het inkomen waarover geen loonbelasting en inkomstenbelasting hoeft te worden betaald, met welgeteld acht tientjes te verhogen. Het percentage dat is verschuldigd over inkomen in de eerste schijf (37,65 procent) gaat slechts achter de komma omlaag. Kleine bedrijven krijgen compensatie voor de hogere energierekening, doordat bovendien de zelfstandigenaftrek met 1300 gulden wordt opgeschroefd. Succesvolle ondernemers die in een besloten vennootschap zijn gevlucht om zodoende het toptarief van de inkomstenbelasting (60 procent) te ontwijken, krijgen een geweldig douceurtje. Zij moesten tot 1995 40 procent betalen over de eerste kwart miljoen winst van hun BV. In 1998 geldt slechts een verhoogd tarief van 37 procent over de eerste ton van de winst; over het meerdere is hun BV dan het standaardtarief van 35 procent verschuldigd. Het totale belastingvoordeel bedraagt straks meer dan tienduizend gulden per jaar.

Uiteraard is het mogelijk dat ondernemers die bij het produktieproces betrekkelijk veel energie verbruiken aan deze compensaties nog te kort komen. Vele anderen, zoals beoefenaren van een vrij beroep en mensen met een management-BV, krijgen echter zonder goede reden vele duizenden guldens belastingverlaging in de schoot geworpen. De positieve gevolgen van dit alles voor onze economie en de werkgelegenheid zijn twijfelachtig. De onvermijdelijke berekeningen van het Centraal Planbureau indiceren dat de operatie nul tot ten hoogste elfduizend extra banen oplevert - over vijftien jaar!. De beoogde energiebesparing is bovendien uiterst gering: een half procent. Dit komt mede doordat de energieverslindende tuinbouw geheel van de heffing wordt vrijgesteld. De verhoudingen in het milieubeleid raken steeds meer zoek: de agrarische sector mag ons milieu straffeloos blijven bezwadderen en uitbuiten, terwijl gezinnen trouw hun biobakjes aan de straat zetten en van de gescheiden inzameling van glas en oud papier een groot succes maken. Gezinnen worden voor hun inzet beloond met een hele reeks milieubelastingen.

Ondanks de tot cynisme stemmende praktijk leven vooral in groenlinkse kring nog altijd hoge verwachtingen over een verdergaande ecologisering van de belastingheffing. Men ziet milieuvervuiling en grondstoffenverbruik als mogelijke grondslag voor allerlei nieuw te heffen belastingen. De prille ervaring met de komende energiebelasting zou deze geestdrift moeten bekoelen. Goed georganiseerde pressiegroepen weten zich aan milieuheffingen te onttrekken. Grote vervuilers blijven buiten schot. De achtergrond is simpel. Indien forse milieubelastingen aan Nederlandse ondernemingen worden opgelegd, zonder dat elders vergelijkbare heffingen tot stand komen, verslechtert de positie van het vaderlandse bedrijfsleven, zonder dat het wereldmilieu verbetert: de vervuilende activiteiten worden slechts naar het buitenland verplaatst. Precies om deze reden zal de voorgenomen energieheffing uitsluitend aan kleinverbruikers worden opgelegd. Bedrijven die jaarlijks meer dan 170.000 kuub aardgas verstoken en meer dan 50.000 kilowattuur stroom verbruiken zijn namelijk vrijgesteld. Niet dat de grote ondernemingen stilzitten. Zij hebben vaak meerjarenafspraken met de overheid gemaakt die tot het jaar 2000 gemiddeld twintig procent energiebesparing opleveren.

Gezinnen betalen zich inmiddels blauw aan milieubelastingen. Nadat met ingang van dit jaar naast de al wat langer bestaande brandstoffenbelasting (opbrengst 1,4 miljard) al een grondwaterbelasting en een afvalstoffenheffing zijn ingevoerd (gezamenlijke opbrengst een half miljard), komt nu de energiebelasting in beeld. In tien jaar tijd is de opbrengst van diverse milieuheffingen gestegen van amper 2 miljard tot liefst 7 miljard gulden. Het gaat hierbij in feite om groene accijnzen, die in verhouding het zwaarste drukken op huishoudens met lage inkomens. In een aantal gevallen zijn gezinnen nauwelijks in staat hun vervuiling of energieverbruik te beperken. Zeker in het laatste geval is de compensatie die zij ontvangen via verlaging van de loonbelasting onvoldoende.

Milieubelastingen vormen net zoals elke belasting een onderdeel van de 'wig'. Er bestaat een reële mogelijkheid dat zij worden afgewenteld, doordat werknemers en hun vakorganisaties aanvullende looneisen stellen. Worden die claims gehonoreerd, dan wordt de nationale concurrentiepositie langs een omweg aangetast. Daarmee is het paarse zelfbedrog volmaakt.