Drugsvangst vaker 'begeleid' transport

ALMELO, 25 JULI. Het door politie en justitie op de vrije markt brengen van drugs is niet alleen gebeurd door het Haarlemse korps. Dat bleek gisteren bij een rechtszaak in Almelo tegen een groep van mensensmokkel verdachte mannen van wie een aantal volgens justitie ook een rol heeft gespeeld in de smokkel van verdovende middelen. De verdachten werden in maart 1995 aangehouden met twee containers met totaal 17.000 kilo marihuana. De grootste hoeveelheid van deze drugs die ooit in Nederland werd onderschept.

Maar wie op welk moment voor de toepassing van de bijzondere opsporingsmethode verantwoordelijk was, bleek opnieuw een onderwerp dat uitnodigt tot het bijstellen van verklaringen.

Volgens de politie valt het op dat men er bij het openbaar ministerie steeds meer de voorkeur aan geeft de verantwoordelijkheid voor de toepassing van bijzondere opsporingsmethoden op een zo laag mogelijk niveau te leggen. En het liefst wordt het gebruik van ongebruikelijke opsporingstactieken afgeschilderd als een exclusieve zaak van de politie.

Op de rechtszitting bleek dat er voorafgaande aan de Almelose recordvangst met medeweten van politie en justitie een container met drugs op de vrije markt is beland. In de zogeheten pro-actieve fase van het onderzoek - dat is de periode die voorafgaat aan het openen van een gerechtelijk vooronderzoek - heeft de politie een container met drugs bewust door laten gaan. Dat speelde zich af tussen november 1992 en januari 1994.

Uit het proces-verbaal van die zaak, opgesteld door het hoofd van de Criminele Inlichtingendienst (CID) van de politie Twente, H.J.W. van Klaveren, blijkt dat “de Arnhemse procureur-generaal” expliciet instemde met een “infiltratie-traject gericht op het verkrijgen van informatie” over de drugshandel van een criminele organisatie. De behandelend officier van justitie, G.M. van der Vegt, zei gisteren dat in november 1992 een container met drugs door politie en justitie is doorgelaten. De procureur-generaal was toen de huidige minister van justitie W. Sorgdrager.

Het doorlaten van de drugs wordt desgevraagd bevestigd door de toenmalige CID-officier van justitie in Almelo, J. Oosterhof. Hij zegt “er bijna zeker van te zijn” dat pas na overleg met zijn hoogste baas Sorgdrager toestemming is gegeven voor het laten passeren van de partij verdovende middelen. Het laten doorgaan van drugs, de zogeheten gecontroleerde doorlevering, was volgens Oosterhof - tegenwoordig gedeputeerde in Zwolle - “zeker in onze regio zo'n ongebruikelijke opsporingsmethode dat we zelfs alleen al het overwegen ervan met de hoogste autoriteiten kortsloten. Dan gingen we om de tafel zitten met de hoofdofficier van justitie en de procureur-generaal”.

Die lezing werd gisteren enkele uren na de rechtszitting herroepen door de persofficier van justitie in Almelo, E. Wesselius. De feiten zoals geschetst door zijn collega's Oosterhof en Van der Vegt berusten op “een misverstand”. Wat er zich precies heeft afgespeeld, valt echter moeilijk te reconstrueren “in verband met vakanties”. Wesselius zegt dat evenwel vast staat dat de drugs pas na 10 januari 1994 op de markt zijn gebracht. Een dikke week nadat Sorgdrager een andere baan had gekregen, procureur-generaal in Den Haag. Of Sorgdrager ook expliciet heeft ingestemd met de voorbereiding van deze actie, en dus met de toelaatbaarheid ervan, zegt Wesselius niet uit de stukken te kunnen achterhalen. Sorgdrager zelf is wegens vakantie niet in staat te reageren.

De politie loopt de laatste maanden steeds vaker op tegen bijgestelde verklaringen en toelichtingen van functionarissen van het OM. Het is een houding die volgens hen wordt veroorzaakt door de aanstaande openbare verhoren van de parlementaire enquêtecommissie en een nog lopend onderzoek van de rijksrecherche naar de CID in Haarlem.

Ook minister Sorgdrager wordt door politiemensen steeds nadrukkelijker verweten dat ze haar standpunten laat afhangen van de waan van de dag. Het door haar beklemtonen van de vereiste “rechtstatelijkheid” - een ander woord voor terughoudendheid - in het aanpakken van de zware misdaad, zou volgens de politie vooral een eigentijdse, politieke oorsprong hebben.

Begin dit jaar werd mede op verzoek van de minister een grootscheeps rijksrechercheonderzoek uitgevaardigd naar de politie in Haarlem, nadat bleek dat dit korps jarenlang drugs op de vrije markt bracht. Een werkwijze die de aanleiding vormde voor de IRT-affaire, waarop vorig jaar twee ministers sneuvelden.

In april bleek dat onder haar bewind als procureur-generaal in Den Haag door de Rotterdamse politie in samenwerking met Haarlem 20.000 kilo softdrugs op de vrije markt waren beland. De minister zei dat ze van deze operatie niets afwist. In dezelfde maand stopte de minister persoonlijk een actie van de politie in Den Bosch die bezig was met een infiltrant duizenden kilo's drugs op de markt te brengen. De toetsingscommissie van het openbaar ministerie had al met deze methode ingestemd. En weer korte tijd later werd uit een briefwisseling met de top van het OM duidelijk dat de minister, na een eerste afkeuring, alsnog instemde met het gecontroleerd doorlaten van softdrugs, hoewel daaraan strenge voorwaarden werden verbonden.

Intussen werpt het bekendworden van steeds meer door de politie en justitie op de markt gebrachte drugstransporten een bijzonder licht op de effectiviteit van het onderscheppen van verdovende middelen. Alleen al de Haarlemse politie verzorgde de laatste vijf jaar de invoer van 56 containers met verdachte lading. In één container kan 17.000 kilo softdrugs worden verstopt. De schattingen over hoeveel drugs er echt in die containers zat en welk deel daarvan op de vrije markt verscheen, variëren in justitiekringen van 200.000 tot 400.000 kilo. De totaal in Nederland door de politie in beslag genomen hoeveelheid softdrugs bedroeg volgens cijfers van de CRI bijvoorbeeld in 1992 - het jaar dat de Almelose zaak begon - voor hasj 75.000 kilo en voor marihuana 19.000 kilo.

Het door de politie gehekelde gedrag van de minister komt overigens overeen met een aanpassing van het beleid die zich bij het OM in alle stilte voltrekt. Uit een vertrouwelijke OM-handleiding (van april vorig jaar) voor het werk van Criminele Inlichtingendiensten, opgesteld door de Haagse CID-officier van justitie F. de Groot, blijkt dat vele omstreden opsporingsmethoden al jaren gemeengoed waren. Niet zo verwonderlijk, want, zo schrijft De Groot: “Het is vaste jurisprudentie dat in het algemeen niet hoeft te blijken dat bewijsmateriaal op rechtmatige wijze is verkregen, laat staan aangetoond. Uitgangspunt is dat de rechtmatigheid van het vergaarde bewijsmateriaal wordt verondersteld.”

Een klein jaar later is de handleiding aangepast. De Groot schrijft nu dat de rechter pas akkoord kan gaan met het opsporingswerk als “de verantwoording van het onderzoek (...) op rechtmatige wijze heeft plaatsgevonden”. Zo formuleert iedereen nieuwe, politiek correcte standpunten - met de rug naar het recente verleden.