Doorbraak in recycling: textielvezel uit frisdrankflessen

Kleding gemaakt van textiel uit pre- of postconsumer afval is een nieuwe doorbraak in recycling. Een Amerikaans bedrijf produceert een textielvezel (Ecospun) uit afgedankte plastic flessen. De soda bottle fashion is in de Verenigde Staten populair bij producenten en consumenten. Ook recycling van gebruikt textiel wordt steeds meer economisch haalbaar. Een Duits bedrijf ziet 'mogelijkheden genoeg, ook in Nederland'.

Het was het idee van een paar idealistische kledingfabrikanten: kleding maken van milieuvriendelijk geproduceerde katoen, wol en linnen. De milieubeweging reageerde kritisch, de detailhandel sceptisch. Maar de ecokleding sloeg aan. En dus deed de modebranche wat ze altijd doet als ze een trend ontdekt: ze maakte een commerciële variant, de ecolook. Van warenhuis tot speciaalzaak, overal hingen de rekken vol met kleren van beige katoen en kreukellinnen. Op het oog puur natuur, in werkelijkheid grotendeels op traditioneel-vervuilende manier geproduceerd. De ecotrend kwam aan z'n eind door een overdosis. Consumenten konden geen beige meer zién.

Maar twee jaar na de puur natuur-look komt er een nieuwe ecomode. Dit keer gaat het initiatief uit van de fabrikanten van kunstvezels. Zij willen niet alleen hun produkten verbeteren maar ook hun imago. Ze moeten wel, want de meeste consumenten denken dat natuurlijke materialen beter voor mens en milieu zijn dan kunstvezels.

Bij de nieuwe ecomode gaat het om recycling, om kleding gemaakt van textiel uit pre- of post-consumer afval. Dat kan produktie-afval zijn van de vezel-, textiel- of kledingindustrie, maar ook afval van consumenten. Grote vezelproducenten besteden de laatste jaren een groot deel van hun researchbudgetten aan de ontwikkeling van innovatieve produkten uit gerecycled materiaal. De milieuwinst is groot: een gerecycled produkt vergt minder grondstof en energie dan een produkt uit nieuwe grondstof.

De opmerkelijkste vorm van hergebruik is kleding gemaakt uit afgedankte plastic frisdrankflessen. De soda bottle fashion is een idee van de Amerikaanse vezelproducent Wellman. Dit bedrijf verwerkt sinds 1980 frisdrankflessen van polyethyleenterefthalaat (PET) tot polyester vezels. De flessen worden gereinigd en tot granulaat versneden dat vervolgens wordt gesmolten en tot vezels wordt geperst. De vezels vinden toepassing in de tapijtindustrie, maar ook als fiberfill, een vulmateriaal voor slaapzakken, meubelen en ski-jacks. In 1993 slaagde Wellman erin uit het PET-recyclaat een vezel te maken die geschikt is voor kledingtextiel. Deze technologische doorbraak leverde het bedrijf in 1994 een aantal prestigieuze milieuprijzen op en een stijging van de omzet met 11,2 procent tot bijna een miljard dollar. Met de Ecospun, zoals de vezel heet, heeft Wellman een voorlopig onverzadigbaar afzetkanaal aangeboord, want de textielindustrie die 80 procent van de totale polyesterproduktie afneemt, kampt met een tekort aan vezels. Als gevolg van mislukte oogsten zijn de katoenprijzen sterk gestegen en is de vraag naar polyester toegenomen. Het aanbod aan polyester is echter schaars. Dat komt doordat in steeds meer landen glazen frisdrankflessen vervangen worden door PET-flessen. Het zal zeker nog tot 1997 duren voor de petrochemische industrie over voldoende produktiecapaciteit beschikt om aan de vraag naar grondstoffen voor polyester te voldoen.

Wellman recycled in z'n fabriek in Johnsonville in de Amerikaanse South Carolina nu bijna tweeëneenhalf miljard PET-flessen per jaar en zegt daarmee in twee jaar tijd 1,3 miljoen barrels ruwe olie bespaard te hebben. Ondanks de grote produktie kan het bedrijf de vraag naar Ecospun nauwelijks bijbenen. Al meer dan 100 textiel- en kledingfabrikanten maken produkten uit de Ecospun. Bij alle grote warenhuizen en de belangrijkste postorderbedrijven is kleding uit Ecospun te koop. Aan elk kledingstuk hangt een labeltje met de tekst: For the first time, the products you buy can help preserve the earth.

Deze boodschap slaat aan bij de Amerikaanse consumenten. De vraag naar kleding uit gerecyclede textiel neemt snel toe. Steeds meer textielfabrikanten stappen daarom over van nieuwe op gerecyclede polyester. Een van Wellman's grootste klanten, textielfabrikant Malden Mills uit Lawrence in Massachusetts, de producent van het gerecyclede Polartec-fleece, verwacht dit jaar 6,5 miljoen meter gerecycled textiel te leveren. De belangrijkste afnemers zijn fabrikanten van buitensportkleding als L.L. Bean, Patagonia en Timberland in de Verenigde Staten, Berghaus, Fjallraven, Shoeffel en VauDe in Europa en Goldwin in Japan. Om z'n Europese klanten sneller te kunnen bedienen en transportkosten te besparen, is Malden Mills in Görlitz, een stad in de vroegere DDR, met de bouw van een textielfabriek begonnen. De produktie komt in het najaar op gang. Voorlopig moet Malden Mills de gerecyclede PET-vezels uit Amerika halen, want in Europa zijn niet voldoende afgedankte frisdrankflessen om een constante aanvoer van polyester textielvezels te garanderen.

“Het probleem zit hem in de inzameling”, zegt Jim Armstrong, directeur van Wellman Recycling in Spijk, een plaatsje in de buurt van Lobith. “Wellman is in 1989 in Nederland begonnen met het recyclen van PET-flessen. De belangrijkste reden voor vestiging in Nederland was dat dit het eerste land in Europa was met een statiegeldsysteem. Tegenwoordig hebben ook de Scandinavische landen en Duitsland zo'n systeem, maar Engeland en de zuidelijke Europese landen gebruiken nog steeds wegwerpflessen. Het is moeilijk om in die landen PET-flessen in te zamelen.” In Nederland en andere landen met een statiegeldsysteem worden frisdrankflessen 20 tot 25 keer hergebruikt voor ze naar de recycler gaan. Van de circa 100 miljoen PET-frisdrankflessen die in Nederland in omloop zijn, wordt jaarlijks tien procent vervangen en gerecycled. Bij Wellman in Spijk worden de flessen ontdaan van doppen, losse bodems, etiketten en lijm. Daarna worden ze gereinigd en versnipperd tot granulaat. Dat halfprodukt gaat per schip naar Wellman Ltd. in Mullagh in Ierland, waar het granulaat door verhitting vloeibaar gemaakt en tot vezels wordt geperst. Om recycling van PET te bevorderen heeft een aantal chemische vezelproducenten, waaronder Hoechst, Akzo Nobel, Shell en ICI, vorig jaar januari de organisatie Petcore opgericht die het inzamelen van PET-verpakkingsmateriaal moet stimuleren. Daardoor is vorig jaar 23 procent meer PET gerecycled. Toch is er in Europa nog niet voldoende granulaat beschikbaar om met de produktie van textielvezels te beginnen, zegt William Beckwith, de directeur van de Ierse Wellman-fabriek. “Alles wat we nu verwerken, gaat naar de afnemers van fiberfill en de tapijtindustrie. We beginnen met de produktie als het aanbod aan granulaat zo groot is dat we de textielindustrie een constante vezelaanvoer kunnen garanderen. We zijn daarover in gesprek met garen- en textielproducenten in Engeland en Europa.”

Amerikaanse textielfabrikanten maken alle mogelijke stoffen uit Ecospun: fleece voor vesten en jacks, maar ook tricot voor ondergoed en T-shirts, kamgaren en zelfs denim voor spijkerbroeken. Europese kledingfabrikanten hebben vooral belangstelling voor stoffen die geschikt zijn voor buitensportkleding. In Engeland waar elke dag acht miljoen plastic frisdrankflessen worden weggegooid, maken verschillende producenten van buitensportkleding collecties van textiel uit Ecospun. Volgens Jane McCann, directeur van Any Mountain, een bedrijf dat bergsportkleding uit textiel van PET-flessen maakt, zijn vooral mensen die van de natuur houden en veel buiten zijn, gevoelig voor het recyclingargument. “Daarom leent dit materiaal zich goed voor polyester buitensportkleding. Als sportmensen de keuze hebben tussen nieuw en gerecycled polyester, kiezen ze voor het gerecyclede materiaal, omdat dat minder milieubelastend is.” McCann krijgt in de Engelse pers veel publiciteit met haar kleding die verkocht wordt onder het motto Don't bin it, wear it. De publiciteit heeft voor nieuwe opdrachtgevers bezorgd. “Sinds kort maken we, in opdracht van gemeenten, werkkleding uit gerecycled textiel voor medewerkers van plantsoenendiensten en gemeentereinigingsbedrijven. Nieuw is ook dat we incentivekleding maken voor bedrijven die sportevenementen sponsoren. Daarmee verbeteren deze bedrijven hun imago”, aldus McCann.

Ook in Duitsland, een land met veel milieubewuste consumenten, wordt al buitensportkleding uit gerecyclede textiel gemaakt. Een aantal Duitse sportkledingfabrikanten heeft zich aangesloten bij een recycling netwerk. Het bekendste van deze netwerken, het Ecolog Recycling Network, is opgericht door VauDe, een Duitse fabrikant van buitensportkleding. Ecolog is een organisatie waarbij 60 textiel-, fournituren- en kledingfabrikanten en 500 winkeliers uit heel Europa zijn aangesloten. Zij verplichten zich om polyester kleding te maken die 100 procent te recyclen is, om de afgedankte kleding terug te nemen en opnieuw te verwerken. In de kleding van de in het netwerk participerende fabrikanten zit een etiket waarop staat dat kopers het kledingstuk, als het afgedankt is, kunnen inleveren bij de winkel waar het gekocht is. De producent garandeert dat het kledingstuk gerecycled wordt. Pas geleden is ook in Japan een Ecolog Network opgericht dat zich richt op landen in het Verre Oosten. Ecolog bestaat pas sinds 1994 en het zal dan ook nog wel een jaar of drie duren voordat de eerste kleding terugkomt voor recycling. In de tussentijd hoopt Ecolog dat zich meer producenten en detaillisten zullen aansluiten bij het netwerk, want alleen bij een massaal aanbod is recycling van de textiel economisch haalbaar.

Hergebruik van textielvezels is niets nieuws. Bij wol gebeurt dat al sinds het begin van de vorige eeuw. De techniek is ontwikkeld door een Engelsman, Benjamin Law, uit Batley in Yorkshire, de streek waar de wollen stoffenindustrie is gevestigd. Grondstofschaarste en de hoge prijs van nieuwe wol brachten Law ertoe een machine te ontwikkelen om afgedankte wollen kleding uit elkaar te rafelen. De zogeheten scheurwol werd, vermengd met nieuwe wol, voor nieuw verkocht. Tot in de jaren '60 van deze eeuw was de scheurwolindustrie een belangrijke bedrijfstak in Europa. De grote centra op dit gebied waren Dewsbury in Engeland en Prato in Italië. Honderden scheurwolfabrikanten in deze steden leverden hun produkten aan wolspinnerijen in de omgeving. Daar kwam een eind aan toen begin van de jaren '60 de prijzen van nieuwe wol daalden. Gerecyclede wol was economisch niet meer interessant. Veel scheurwolfabrikanten sloten hun bedrijven en als gevolg daarvan stopten ook 'voddenboeren' met het opkopen.

De firma Parkinson in Dewsbury was een van de weinige bedrijven die doorging, maar in 1990 stond John Parkinson uiteindelijk toch voor de keuze: stoppen of failliet gaan. Dat geen van beide gebeurde, dankt Parkinson aan zijn vrouw. Zij zei dat hij een voorbeeld zou moeten nemen aan de papierindustrie die met gerecycled papier een milieuvriendelijk imago opbouwt. Parkinson: “Ik had er nooit bij stil gestaan dat ik een milieuvriendelijk bedrijf heb. Ik dacht dat ik een inferieur produkt maakte. Maar toen mijn vrouw dat zei, zag ik wel ineens de mogelijkheden.” Parkinson gaf zijn bedrijf een nieuwe naam, Evergreen, en liet bij een spinnerij in de buurt garens spinnen van 100 procent gerecyclede vezels. Daarvan liet hij stoffen weven en kleding maken, die hij presenteerde op een beurs. De teleurstelling was groot toen bleek dat modezaken niet geinteresseerd waren in zijn wat oubollige tweed mantelpakken. Maar er was wel belangstelling voor zijn stoffen, onder andere van Esprit en Marc O'Polo. Parkinson stopte met z'n kledingcollectie en concentreert zich nu uitsluitend op de ontwikkeling van nieuwe garens en stoffen. Hij recycled veel wollen kleding, maar slaagt er ook in om linnen en katoen te recyclen. Vaak mengt hij verschillende vezelsoorten. Ter versteviging voegt hij soms wat nieuwe vezels bij, zoals hennep of biologisch geteelde katoen. Sinds kort gebruikt hij ook gerecyclede polyester van Malden Mills ter versteviging. Evergreen's bestsellers zijn breigarens en stoffen uit gerecyclede denim. Reclame hoeft hij voor deze denimprodukten niet te maken, zegt Parkinson. “Levi's doet de marketing voor ons.” John Parkinson vindt zijn klanten onder milieubewuste kledingproducenten als Esprit en Marc O'Polo en jonge ontwerpers met een eigen merk. Milieuorganisaties als Greenpeace behoren ook tot zijn afnemers. Zij laten van zijn garens en stoffen kleding maken voor hun postordercatalogi. De nieuwste klant van Evergreen is schoenfabrikant Clarks, die een canvasachtige stof van Evergreen verwerkt. De stof is gemaakt van jute van oude postzakken, gemengd met wol en katoen.

Parkinson koopt zijn grondstoffen bij sorteerbedrijven, die hun waren weer betrekken van liefdadigheidsinstellingen. Deze organisaties zijn halverwege de jaren '60 begonnen met kledinginzamelingen. De nog draagbare kleding verkochten ze in eigen winkels of stuurden ze als noodhulp naar arme gebieden. Kleding die niet meer geschikt was voor hergebruik, ging naar de resterende scheurwolfabrieken of de poetsdoekenindustrie. Toen in de jaren '70 de welvaart toenam en mensen vaker nieuwe kleding kochten, nam het aanbod aan afgedankte kleding explosief toe. De charitatieve instellingen konden de enorme hoeveelheden niet meer verwerken en zochten samenwerking met commerciële sorteerbedrijven. Tegenwoordig is het inzamelen van oude kleding voor de liefdadigheidsinstellingen een belangrijke bron van inkomsten. Ze betalen er hun sociale activiteiten van. De sorteerbedrijven exporteren de afgedankte kleding naar ontwikkelingslanden, voornamelijk in Afrika. Eenderde van alle kleren die in de landen ten zuiden van de Sahara wordt verkocht, bestaat uit afdankertjes uit Europa en Amerika. Door het grote aanbod aan goedkope tweedehands kleding zijn daar vele duizenden arbeidsplaatsen in de textiel- en kledingindustrie verloren gegaan.

Zou Afrika er iets mee opschieten als het Westen zijn afgedankte kleding zou recyclen? In Duitsland gaat dat gebeuren. Niét vanwege de werkgelegenheid in Afrika, maar omdat een nieuwe wet detaillisten en producenten verplicht afgedankte produkten terug te nemen en te recyclen. De Kreislaufwirtschaftsgesetz wordt in 1996 van kracht, maar er is een overgangsregeling van twee jaar. Hoe de textielrecycling geregeld gaat worden is nog niet duidelijk. Verscheidene ondernemingen hebben aangekondigd zich hiermee bezig te gaan houden. De beste papieren heeft R + T Umwelt in Leipzig, een dochteronderneming van RWE Entsorgung in Essen. RWE staat voor Rheinisch-Westfälische Elektrizitätswerke. R + T Umwelt is vlak na de Wende opgericht om te verhoeden dat het Oostduitse Zero-systeem zou verdwijnen. In de vroegere DDR was het verboden om afgedankte goederen die voor hergebruik geschikt waren, weg te gooien. Alles moest gerecycled worden, omdat de deviezen ontbraken om nieuwe grondstoffen in het buitenland te kopen. Het Zero-systeem zorgde voor het inzamelen en verwerken van de secundaire grondstoffen. R + T Umwelt heeft drie textielrecyclingbedrijven in de voormalige DDR gekocht en is een samenwerkingsverband aangegaan met Soex, een bedrijf in het Noordduitse Bad Oldeslohe, in de buurt van Hamburg. Soex koopt in Amerika en Europa tweedehands kleding op van inzamelaars, sorteert deze kleding in eigen sorteerbedrijven en verkoopt de beste produkten in zestig eigen winkels in Europa en Amerika. Wat hier niet te verkopen is, gaat naar ontwikkelingslanden. Soex en R + T Umwelt voeren met inzamelende liefdadigheidsinstellingen en de kledingdetailhandel op het ogenblik besprekingen over het opzetten van een waterdicht inzamelsysteem. “Nu wordt maar 30 procent van de afgedankte kleding ingezameld, de rest komt in de vuilnisbak terecht. Wij streven naar 100 procent”, zegt R.G. Strutz van RWE Entsorgung. Volgens Strutz is textielrecycling dank zij nieuwe technologie economisch haalbaar. De noodzakelijke investeringen worden uit eigen middelen betaald. Welke produkten er van de gigantische hoeveelheden ingezamelde textiel gemaakt zullen, wil Strutz nog niet vertellen. “We gaan uit van recycling, niet van downcycling. Maar niet alle kledingtextiel kan tot kledingtextiel worden herverwerkt. In de DDR werden allerlei produkten van afgedankte textiel gemaakt, bijvoorbeeld papier van oude jeans. Mogelijkheden zijn er genoeg.” RWE Entsorging zal zich met het recyclen van textiel niet tot Duitsland beperken. Strutz: “We beginnen voor onze huisdeur, maar als de zaak eenmaal loopt, gaan we onze technische knowhow ook in andere landen toepassen, ook in Nederland. Soex heeft in Nederland een sorteerbedrijf, dus we hebben er al een voet aan de grond.”

Er zal de komende jaren steeds meer kleding van gerecycled textiel op de markt komen. De grote vraag is hoe consumenten daarop zullen reageren. In Amerika is kleding uit gerecyclede PET-flessen een groot succes. Maar zullen ook de Europese consumenten bereid zijn om kleding van herverwerkte grondstof aan te schaffen? John Parkinson van Evergreen verwacht dat oudere consumenten gerecyclede produkten als minderwaardig zullen afwijzen. “Jongeren, moeders van jonge kinderen en natuurliefhebbers zijn het gevoeligst voor recyclingargumenten”, zegt hij. “Dat zijn de doelgroepen waarop de recyclingindustrie zich het best kan richten.”

Het succes van gerecyclede kleding zal in belangrijke mate afhangen van de vormgeving. Op een of andere manier zal zichtbaar moeten zijn dat het om kleding uit hergebruikte grondstoffen gaat, want de milieubewuste consument wil er voor uitkomen dat hij of zij zich verantwoord gedraagt. Een etiket is de eenvoudigste manier om dat te laten zien. Maar er zullen ook nieuwe esthetische codes ontwikkeld moeten worden voor deze ethisch verantwoorde kleding. De mode-industrie zal dit keer eens een look moeten bedenken die voor echte waarden staat.