Boksers

Wij zaten naar een ontzettend-slechte partij boksen te kijken. Op Eurosport. Een Engelse collega, die meer bemoeienis heeft met wat vroeger 'the noble art of selfdefence' heette, wees mij op een jongeman die aan de veilige kant van de ring zat. Op die jongen van 21 moest ik in de naaste toekomst eens letten, zei hij. Een geweldenaar. Een genie. “Maar je moet opschieten, want hij brandt aan twee kanten op. Nog twee jaar. Dan bokst hij waarschijnlijk niet meer.” Het is stom, maar de naam ben ik vergeten, terwijl ik aan de hand van dat gesprekje wat ben gaan filosoferen over boksers van vroeger, die ik min of meer gekend heb, althans vanuit mijn veilige persplaats heb meegemaakt. Allereerst is daar dan Bep van Klaveren. Hij wilde dat zijn as zou worden uitgestort boven Woudestein, het voetbalcomplex van Excelsior, maar dat scheen niet te mogen. Ik heb die wens trouwens nauwelijks kunnen begrijpen. Als je iets met de as van een bokser wil doen, strooi die dan uit boven een boksring. Maar ook dat mocht natuurlijk niet. Boksers mogen vrij veel, maar niet na hun dood. Van Klaveren was wel geen genie, maar ongetwijfeld een fenomeen. Op zeer middelbare leeftijd stapte hij nog de ring in om tegen jonge professionals, half zo oud als hij, voor de winst te gaan. Ook de aanwezigheid van zijn bejaarde moeder kan hem hebben gestimuleerd. Die mevrouw stond eens, met de beugeltas aan de arm, aan de ring in de hal van de diergaarde Blijdorp, roepend: “Bep, op z'n nieren”. Want nieren waren en zijn kwetsbaar en haar zoon had het in dat gevecht dermate moeilijk dat men niet kieskeurig in de middelen kon zijn.

De mooiste bokser van Nederlandse huize die ik in volle actie heb gezien, was Luc van Dam. Van Klaveren had iets dierlijks, Van Dam iets elegants. Hij was een pure vuistvechter, een counter-bokser, die de tegenstander liet komen en vervolgens vaak fraai repliceerde. Over het algemeen zag je die types niet vaak in de ring en ze waren bovendien niet automatisch geliefd bij het hooggeëerd publiek, dat driftige vechtjassen prefereerde. Van Dams vrouw, Suzy, was een tijdlang tevens zijn promotor. Als zij belde met de mededeling dat haar man binnenkort weer een partij ging boksen en de naam van de tegenstander aan de andere kant van de lijn niet onmiddellijk herinneringen opriep, dan kon zij op zeer overtuigende toon melden, dat het om 'een goeie jongen' ging. Luc van Dam leeft allang niet meer, Suzy nog wel. Ik heb haar zeer onlangs nog gesproken. Bokswedstrijden organiseert zij allang niet meer, maar met haar kleinkinderen is zij zeer grootmoederlijk in de weer.

Ook Jan Nicolaas schiet mij nu te binnen. Een slanke, lichtvoetige bokser uit de Haagse contreien. Kampioen van Nederland in het lichtgewicht. Hij was een technische, sierlijke puntenbokser die een keer een tegenstander voor meer dan tien tellen naar de mat verwees. Later, toen ik hem in de kleedkamer met die ko-overwinnig geluk wenste, lachte hij van oor tot oor en zei met dat hoge stemmetje van hem: “Precies op z'n kinnetje. Mooi hè?” Door de bank genomen is boksen niet zo heel erg mooi, maar die stoot van Nicolaas heb ik toegevoegd aan mijn positieve herinneringen. Want al zijn die in de minderheid, ze zijn er. Maar die boksers van vroeger wisten weinig van pr en ook hun managers waren daar nauwelijks bedreven in. Regilio Tuur daarentegen heeft er veel aan gedaan om een veelbelovend imago te kweken. Dat is heel verstandig van Tuur. Bij hem vergeleken waren die boksers van vroeger, althans die in Nederland, eigenlijk goedwillende amateurs. Ze trainden wel hard, maar ze wisten niet hoe ze zich moesten verkopen aan een groot publiek. Boksers waren het, geen zakenmensen.