Zachthandige dressuur is niet zielig voor een paard

Eva Coenen uit De Bilt

“Als ik springwedstrijden zie, dan hoop ik soms dat het paard de ruiter uit het zadel gooit. Echt waar, ik vind springen zielig voor een paard. Dressuur mag wel, dat doe ik zelf ook - maar héél zachthandig. Het paard moet het leuk vinden. Ik ben niet zoals paardenmeisjes uit een stripblad die steeds bij hun lievelingspaard hangen. Die meisjes kunnen namelijk niet poetsen. Zaterdagochtend ga ik meestal al om 8 uur naar de manege. Dan zijn de paarden nog niet helemaal wakker. Dat is zo echt, daar hou ik van.

Ik heb een tijd niet mogen paardrijden, omdat ik heel ziek ben geworden. Eind vorig jaar kreeg ik steeds hoofdpijn en moest ik overgeven. Het gekke was dat dat alleen in het weekend gebeurde waardoor mijn ouders - en later ook de huisarts - dachten dat het stress was. Ik zat net op de middelbare school en zij dachten dat de overgang te groot voor mij was. 'Rustig aan' zeiden ze. Totdat ik op een avond langzaam door m'n benen zakte en weer moest overgeven. We hadden net bruine bonen gegeten. Verder kan ik me van dat moment niets meer herinneren.

De huisarts zei dat er te veel druk op mijn hoofd was. Ik werd meteen doorgestuurd naar de neuroloog en die zal wel hetzelfde hebben gezien. Mijn ouders kregen helemaal koude voeten van de schrik. Eerst hadden de artsen het over een 'bolletje', daarna werd het een 'gezwel' en toen kwam het woord 'tumor'. Ik wist eigenlijk niet dat het kanker was. Daar ben ik later achter gekomen. In mijn hoofd zat dus een tumor, groter dan een stuiver maar kleiner dan een gulden. Wel driemensionaal natuurlijk. Ze hebben toen een drain in mijn hoofd geplaats, met een klepje om het hersenvocht af te voeren. De pijn werd daardoor veel minder.

Op dertien januari (vrijdag) ben ik geopereerd in het Academisch Ziekenhuis in Utrecht. Ze hebben de tumor weggehaald maar niet helemaal, omdat hij tegen het geheugencentrum aan lag. En als dat het niet meer doet, kan ik me niets meer herinneren. Prins Bernard lag toen ook in het ziekenhuis en er werd steeds gezegd dat hij zo veel post kreeg. Ik ben toen de strijd met hem aan gegaan: soms kreeg ik wel tachtig kaarten op een dag - misschien heb ik nog van hem gewonnen.

M'n nieuwe klas op het gymnasium kende ik toen nog niet zo goed. De operatie was in de kerstvakantie gebeurd. Niemand wist precies wat ik had. Mijn klasgenoten en de leraren vonden het heel dapper dat ik al weer in februari op school kwam. De chirurg in het ziekenhuis had gezegd dat ik het eerste jaar maar als een verloren jaar moest beschouwen. Daar had ik helemaal geen zin in. Ik wilde laten zien dat ik het best kon. Ik heb heel hard gewerkt en nu ben ik over naar de tweede.

In juni heb ik een spreekbeurt gehouden over kanker. Eigenlijk wilde ik het over het boek Olle van Guus Kuijer doen, maar mijn moeder bedacht dit. Ik vond dat wel goed, want het is soms toch heel moeilijk als je klasgenoten niet weten wat je hebt. De meisjes in de klas luisterden heel aandachtig en vonden het interessant dat ik zo veel folders had meegenomen. De jongens uit de klas zijn klieren - ze zaten gekken bekken naar mij te trekken omdat ik een beugel heb, en heel stom te lachen. Echt waar, als je alleen met ze bent zijn ze hartstikke aardig maar met z'n allen ...

Ik mag nu weer paardrijden en ook weer fietsen. En ik zit ook weer bij de dansmariekes. Alleen zwemmen mag ik nog niet alleen. Er moet alsmaar iemand bij mij in de buurt zijn, omdat ik een aanval van epilepsie kan krijgen. M'n vriendin heeft haar reddingsdiploma en die wil wel op me passen. De badmeester gaf nog een goeie tip: een felgekleurde badmuts. Maar ja, dat kriebelt dan weer zo met die littekens.''