Westerse kiezers zijn ontzag voor politici kwijt

We leven in een onwerkelijke tijd. Kijk om u heen, voorbij de schande van Bosnië, en stel u de vraag hoeveel grote landen er worden bestuurd door lieden met een solide greep op de macht en een heldere opvatting over de manier waarop ze die macht in de wereld willen gebruiken. Het antwoord, met een klein aantal mogelijke semi-uitzonderingen, is: niet één.

Het is twee eeuwen of langer geleden dat er zo'n gebrek aan doortastend gezag in de wereld heerste.

Dat er een gezagsvacuüm optreedt in het ex-communistische deel van de wereld is niet verwonderlijk. Een pijnlijke overgang van het oude politiek-economische stelsel naar zijn volstrekte tegendeel is nu eenmaal niet het moment voor doortastende gezagsuitoefening. Het verrassende is echter dat er in de democratische landen een even groot gat gaapt.

Amerika - Bill Clinton, die volgend jaar zijn greep op het presidentschap wil behouden, voert onder het motto 'Amerika eerst' een wollig buitenlands beleid dat de Amerikaanse aanspraak op een rationeel wereldleiderschap al veel schade heeft berokkend.

Japan - De regering die thans presideert over een mogelijk voorspel tot een recessie in Japan, is een merkwaardige alliantie tussen het saaiste deel van Japans ooit oppermachtige conservatieven en de door ideologische harakiri ontzielde socialisten.

Europa - Omspoeld door een Britse identiteitscrisis is John Major waarschijnlijk op weg naar de deur gemerkt 'uit'. Datzelfde geldt voor Felipe González in morsig Spanje. Italië wordt geleid door een kabinet van technocraten, en probeert intussen uit te zoeken hoe je een echte regering kiest.

De enige landen die nog met enig recht mogen beweren een uitzondering te vormen, zijn Duitsland en Frankrijk. De pas aangetreden Jacques Chirac bekleedt een onomstreden machtspositie, maar of hij samenhangende ideeën heeft over wat hij met die macht wil, is verre van zeker. Dat weet Helmut Kohl wel, maar zijn meerderheid in het parlement is broos. Geen van beiden heeft zowel een vuist als een verhaal.

In de halve eeuw van Koude Oorlog wemelde het van de botsende belangen en mannen van gezag om ze door te drukken. In de periode daarvoor waren er zowel Mussolini als Hitler, als goddank Roosevelt en de teruggekeerde Churchill.

De eeuw voorafgaand aan de Eerste Wereldoorlog was de Britse natie zo machtig dat zelfs een middelmatig premier de wereld aan zijn voeten had; en een groot deel van de 19de eeuw waren er ook mannen van gezag in Berlijn, Wenen, St. Petersburg en op het laatst ook Tokio. Men zou waarschijnlijk terug moeten gaan naar de lamlendiger stukken van de 18de eeuw om een periode zo slap als de huidige te vinden.

De verbijsterende constatering dat in de jaren 1990 elk werkelijk gezagscentrum ontbreekt, vraagt om een verklaring.

Sommige regeringen, zoals de Italiaanse, hebben hun volk verzaakt. Andere, zoals de Britse en de Spaanse, zijn verzwakt en gedemoraliseerd doordat ze te lang aan de macht zijn. Maar er zijn ook tal van landen - bijvoorbeeld Duitsland en, op het stuk van de werkloosheid na, Frankrijk - waar de regering het er op het thuisfront helemaal zo slecht niet heeft afgebracht de afgelopen, moeilijke jaren.

De democratische wereld ligt nog niet in gruzelementen; ondoelmatig regeringsbeleid biedt onvoldoende verklaring voor de doelloosheid die het buitenlands beleid van de democratieën kenmerkt.

En zo'n verklaring biedt evenmin het feit dat regeringen niet meer zo almachtig zijn als vroeger. Weliswaar slingeren nu de geldmarkten buiten bereik van de regeringen triljoenen de wereld over, en kan een wereldwijde lobby als Greenpeace de machtigen van Groot-Brittannië en Frankrijk tot woede brengen. Dit is zeker een beteugeling van de nationale macht. Echter, meer dan een beteugeling is het niet. Wezenlijke macht - de macht om legers op de been te brengen, sancties in te stellen, oorlog te voeren - hebben de regeringen nog in even grote mate als vroeger. Alleen, ze gebruiken die niet.

De ware oorzaak moet dieper liggen. Dat regeringen in de democratische wereld zo slap zijn geworden is alleen te verklaren uit een verandering in het hart van de democratische politiek.

En die verandering is dat de politieke klasse niet zoveel respect meer afdwingt als vroeger. We leven in een tijd waarin de werking van de democratie een grondige wijziging ondergaat.

Voor de meeste mensen, behalve in het landje der Zwitsers, betekende 'democratie' altijd een stelsel waarin het volk om de paar jaar een handvol vertegenwoordigers kiest om de besluitvorming vervolgens tussen twee verkiezingen in aan die vertegenwoordigers over te laten. In de 19de eeuw, toen in Europa en Amerika de representatieve democratie gestalte kreeg, was er misschien geen andere mogelijkheid. Gewone mensen wisten niet genoeg om zelf die beslissingen te nemen. Daarvoor was een bijzondere klasse mensen nodig: de politici.

Maar inmiddels hebben de meeste mensen een opleiding genoten. Ze hebben meer vrije tijd. Aanvankelijk door kranten, toen door radio en televisie en nu door het Internet worden ze geïnformeerd over honderden dingen waarvan hun overgrootouders niets wisten. Velen hebben bezittingen en het verantwoordelijkheidsbesef dat daar gewoonlijk mee gepaard gaat. In het algemeen gesproken is de kloof die in de begintijd van de democratie gaapte tussen gewone mensen en hun gekozen vertegenwoordigers, gedicht.

De kiezers zijn nu in staat het werk van de politici te controleren, en ze zijn er niet erg van onder de indruk. Vooral niet als ze de talloze manieren zien waarop hun vertegenwoordigers hun oordeel kunnen laten beïnvloeden door de macht van het grote geld. In Washington, Tokio, Parijs, Londen - en niet alleen vanzelfsprekende hoofdsteden zoals Rome - wordt de representatieve democratie getoetst, en met tegenvallend resultaat. De politieke klasse kan haar bestaan niet langer rechtvaardigen.

Als dit de werkelijke oorzaak is van de huidige demoralisering van het Westen, dan zal het roer radicaal om moeten. Het representatieve, indirecte soort democratie, het soort dat een politieke klasse nodig heeft, was maar een tussenstation op de weg naar de echte democratie, het soort dat de Zwitsers beoefenen.

Het falend buitenlands beleid van het Westen, en dan vooral het jammerlijk falen van geest- en wilskracht ten aanzien van Bosnië, zal pas dan worden gecorrigeerd wanneer de bevolking het zware werk van het democratisch proces voor een groter deel op de eigen schouders neemt.

©International Herald Tribune.