'Weigeryup kan straf in gevangenis ontlopen'

LEIDEN, 24 JULI. De meeste van de vijfhonderd zogenaamde 'weigeryuppen' tegen wie nu een rechtszaak loopt, kunnen een gevangenisstraf van zeven maanden voorkomen door een hernieuwd beroep te doen op de Wet Gewetensbezwaren. Dat hernieuwde beroep moet dan wel na 1 april 1996 - de dag waarop de opkomstplicht voor militaire dienst wordt afgeschaft - in behandeling worden genomen.

Dit zegt de Leidse advocaat J. Versteegh, die de belangen van 200 dienstweigeraars behartigt. “De crux zal zijn of deze dienstweigeraars door het ministerie van defensie worden erkend als gewetensbezwaarden. Een aantal wordt dat niet. Zij zullen dan na 1 april volgend jaar alsnog een gevangenisstraf moeten uitzitten”, aldus Versteegh. Het merendeel zal volgens hem waarschijnlijk wel erkend worden als gewetensbezwaarden en door het ministerie van defensie een vervangende dienstplicht opgelegd krijgen. “Die kan echter niet ten uitvoer worden gebracht, omdat na 1 april 1996 de opkomstplicht voor militaire en dus ook voor vervangende dienst wordt afgeschaft.”

Directeur P.M.J. Hermans van de Directie Dienstplichtzaken van het ministerie van defensie noemt de “stelling” van Versteegh voorbarig. “De laatste erkende gewetensbezwaarden zullen op 1 april 1997 hun vervangende dienstplicht van twaalf maanden beginnen”, aldus Hermans. “Wat na deze datum met de vervangende dienstplicht gebeurt, is nog onduidelijk.”

Defensie heft volgend jaar de opkomstplicht officieel op, in het kader van een grote reorganisatie. Al eerder, in september 1992, werd het besluit genomen tot die tijd harder op te treden tegen 'weigeryuppen'. Deze niet erkende gewetensbezwaarden zijn vaak hoog opgeleide jongemannen, die om economische redenen aan actieve dienst trachten te ontkomen.

Met een versnelde procedure, waarbij de 'weigeryuppen' hun laatste beroep op de Wet Gewetensbezwaren Militaire Dienst afwachten in de Kolonel Palmkazerne in Bussum, wilde de toenmalige minister van defensie R. Ter Beek binnen één week duidelijkheid over hun status verkrijgen. Sindsdien verschijnen per maand ongeveer vijftig niet erkende gewetensbezwaarden in Bussum. Van hen slaagt ongeveer tien procent er in opnieuw een dienstweigeringprocedure te beginnen. Een kwart besluit alsnog onder de wapenen te gaan, vijftien procent wordt afgekeurd. Ongeveer de helft van de 'Lichting Bussum' weigert het dienstbevel op te volgen. Op dat moment wordt de 'weigeryup' door het ministerie van defensie beschouwd als een totaalweigeraar (die noch militaire dienst noch een vervangende diensplicht wil vervullen) en begint een strafrechtelijke procedure tegen hem.

Inmiddels zijn volgens Versteegh zeker 800 processen-verbaal opgemaakt tegen dienstweigeraars van de Bussumse lichting. Versteegh heeft bij de Raad van State een procedure aangespannen tegen de behandeling van de dienstweigeraars in Bussum. De gewetensbezwaarden krijgen volgens de advocaat een dienstbevel op het moment dat zij formeel nog zijn vrijgesteld van de dienstplicht.

De Raad van State zal begin oktober over deze zogenoemde 'Bussum-procedure' een oordeel vellen. In verband daarmee heeft de Hoge Raad besloten alle rechtszaken over de potentiële dienstweigeraars aan te houden tot 19 december. Alleen principiële totaalweigeraars, die niet via Bussum zijn opgeroepen, worden nog berecht.