Nederland verdient andere telecomwet

Onlangs heeft de Tweede Kamer het wetsvoorstel van mevrouw Jorritsma voor de Interimwet Telecommunicatie Voorzieningen verworpen. De Kamer heeft aangekondigd met een eigen wijzigingsvoorstel te komen. De vraag is, of het nog zin heeft om aan dit soort regelgeving te werken, die in het keurslijf van de Wet op de Telecommunicatie Voorzieningen (WTV) geperst moet worden. Deze wet is achterhaald en door eerdere wijzigingen nauwelijks meer leesbaar. Het zou veel beter zijn op korte termijn een volledig nieuwe wet in te voeren, die vooruitloopt op de vereisten van de Europese regelgeving van 1 januari 1998. Nederland laat kansen liggen als niet snel de vrijheid van infrastructuur en diensten volledig wordt doorgevoerd.

Regering en parlement zien telecommunicatie als groeisector bij uitstek. Den Haag heeft ambitieuze ideeën ontwikkeld, zoals het Nationaal Actie Plan, en ook omvangrijke middelen beschikbaar gesteld.

Waar het evenwel aan schort is een wettelijk kader om de telecomsector tot wasdom te laten komen. Men is het erover eens dat er voor een succesvol telecomklimaat liberalisatie, maar vooral concurrentie nodig is. Om deze reden zijn inmiddels de meeste diensten, zoals dataverkeer, geliberaliseerd. Maar van werkelijke concurrentie is nog steeds geen sprake: de diensten worden aangeboden via één infrastructuur, namelijk van PTT Telecom. De bedoeling van de Interimwet was om ook andere eigenaren van 'vaste' infrastructuur, zoals kabeltelevisiemaatschappijen, energiebedrijven en de NS, de mogelijkheid te geven om diensten te leveren.

Vond deze opzet als zodanig bijval, de uitwerking kon in de ogen van de Tweede Kamer geen genade vinden. De kritiek op de Interimwet luidde: te complex, te gedetailleerd, en bovenal gebaseerd op een verkeerd soort marktordening. Met name was de gedachte van het 'duopolie' - slechts één landelijke concurrent naast PTT Telecom - onaanvaardbaar. De recente teloorgang van Enertel sprak in dit verband boekdelen.

Minister noch Tweede Kamer willen op dit moment aan liberalisatie van infrastructuur. Kennelijk gaat het de regelgever nog steeds te ver om het aanleggen van 'vaste' infrastructuur (grof gezegd aansluitingen, kabels en centrales) vrij te geven. Het blijft tot 1998 uitgesloten om als nieuwkomer kabels in de grond te leggen.

Investeerders krijgen in Nederland zodoende geen kans nieuwe, moderne telecommunicatie-infrastructuur aan te leggen. Dit leidt tot de paradoxale situatie dat wij als samenleving bereid zijn aan 'klassieke' infrastructuur veel gemeenschapsgeld te spenderen zoals aan de Betuwelijn, Schiphol, rijkswegennet, dijkverzwaring enz. Maar investeren in de infrastructuur van de toekomst - door partijen die bereid zijn daarvoor risico te lopen - staan wij niet toe. In afwezigheid van echte concurrentie verkiest zelfs de eigen PTT Telecom te investeren in het buitenland, zoals in Tsjechië en België.

De spraakmakende verkoop van het Amsterdamse kabeltelevisienet KTA kan in dit verband gemakkelijk verkeerd geïnterpreteerd worden. Dat gerenommeerde partijen als Philips en US West zevenhonderd miljoen gulden neertellen, tekent de belangstelling van het bedrijfsleven voor dit soort netwerken. Maar deze transactie behelst een wijziging in de eigendom, er komt geen nieuwe infrastructuur bij. En weliswaar is daarnaast ook de intentie geuit om het netwerk van KTA voor vele miljoenen te moderniseren, maar een aanzienlijk gedeelte van dit bedrag hoort thuis in de categorie noodzakelijk onderhoud.

Waar het om gaat is dat Nederland niet moet afzien van de aanleg van telecomvoorzieningen die elders in hoog tempo gemeengoed worden. Dit is slecht voor het algemene voorzieningenniveau, komt de concurrentiekracht van het bedrijfsleven niet ten goede, en vermindert de aantrekkelijkheid van Nederland als vestigingsland.

Het is daarom belangrijk dat volledige concurrentie op diensten en infrastructuur snel een feit wordt. Nu de Tweede Kamer het voorstel van minister Jorritsma voor de Interimwet verworpen heeft, dreigt de noodzakelijke liberalisatie opnieuw vertraging op te lopen. Twee oplossingen liggen voor: óf opnieuw breien aan de lappendeken die Wet op de Telecommunicatie Voorzieningen heet, óf met voortvarendheid een nieuwe wet invoeren die op voorhand het liberale regime van 1998 regelt. Mijns inziens verdient de laatste oplossing verre de voorkeur, waarbij vooruitlopend op de nieuwe wet infrastructuur en diensten per heden de facto vrijgegeven worden. Hieronder zou ook openbare telefonie kunnen vallen, in aansluiting op de opvallende suggestie van enkele Kamerleden om ook dit monopolie van PTT Telecom eerder vrij te geven.

    • Marc van Ravels