Missie ondermijnt erecode

Het middel is doel geworden in Bosnië. De voornaamste zorg is hoe de beschermers van de Verenigde Naties beschermd kunnen worden. Het NOS-Journaal opende vorige week uitvoerig met de terugkeer van de eerste groep van Dutchbat uit Srebrenica, om vervolgens aandacht te besteden aan de duizenden vluchtelingen in de kampen nabij Tuzla. Eerst kregen we besmuikt te horen hoe onze jongens op verhaal kwamen met wat porno in de 'Dutchbar' in Zagreb, om vervolgens getuige te zijn van de verhalen over verkrachtingen die in het vluchtelingenkamp de ronde deden. Gevoel voor verhoudingen is niet het sterkste punt dezer dagen.

Over de ferme koppeling die Voorhoeve aanbracht tussen de aftocht van alle vluchtelingen uit Srebrenica en het vertrek van de Nederlandse gijzelaars horen we niets meer. Deze humanitaire tour de force is opgegeven. Begrijpelijkerwijs was het toch de eerste zorg om de eigen troepen veilig thuis te krijgen. De enigen aan wie dat moeilijk is uit te leggen zijn de slachtoffers zelf, degenen aan wie is gezegd dat ze in een 'veilig gebied' woonden.

Wat moeten we terug zeggen op de aanklacht die vorige week in deze krant stond te lezen: 'De wereld, maar Nederland in het bijzonder, heeft Srebrenica verraden. Ze hebben de mensen ontwapend en daarna aan de Cetniks overgeleverd. Uw meneer Nicolai in Sarajevo heeft de luchtaanvallen tegengehouden, want dertig van uw mensen vindt u belangrijker dan 30.000 van onze mensen. En voor deze vluchtelingen, die zes dagen op weg waren, hebt u niets gedaan. U bent verantwoordelijk voor deze genocide. Bosnië zal het Nederlandse verraad nooit vergeten. Nooit'.

We zouden kunnen zeggen dat het VN-mandaat en de Servische overmacht geen actieve weerstand mogelijk maakten. Eerlijker zou het zijn om te zeggen dat we niet wisten dat oorlog gelijk staat aan oorlog, ongeacht de motieven van degenen die in zo'n conflict betrokken zijn. Hier te lande bestaat namelijk te vaak de gedachte dat geweld uit naam van de vrede geen echt geweld is. Maar betrokkenheid in een oorlog, betekent onderdeel te zijn van alle verschrikkingen die menselijkerwijs denkbaar zijn, kortom van alle verschrikkingen die denkbaar zijn. Humanitaire interventie klinkt zachtaardig maar is uiteindelijk een ander woord voor oorlogvoering.

Nog helemaal los van de te beperkte middelen en mandaten van de VN, ligt daar het zwakste punt van elke vredesmacht. De wil van een jongen uit Hardinxveen om te vechten voor het behoud van Bosnië is onvergelijkbaar met de wil van een gemiddelde aanhanger van de Groot-servische gedachte om datzelfde Bosnië voorgoed van de landkaart te vegen. En een legermacht die niet voorbereid en gemotiveerd is om zich actief te verzetten tegen agressie is eenvoudigweg geen leger, maar een team van bemiddelaars en hulpverleners.

In deze grijze zone tussen humanitaire en militaire inmenging verliezen traditionele erecodes veel van hun betekenis. Verwarde missies leiden tot een verwaterde moraal. Daarom is alle gepraat over lafheid door de critici of heldendom door de regering zo misplaatst.

De militairen zijn over het geheel genomen buitengewoon huiverig voor rechtstreekse inmenging in de oorlog, omdat ze weten dat de inzet van het leger te maken heeft met zelfbehoud. Die eigen veiligheid begint natuurlijk niet bij de landsgrens, maar het is duidelijk dat slechts weinigen de oorlog in Bosnië als een rechtstreekse bedreiging ervaren. Milosevic is geen tweede Hitler, zelfs geen tweede Mussolini. Hij heeft geen enkele ambitie buiten het voormalige Joegoslavië. Het gaat allereerst om een burgeroorlog.

Daarom is ook elke vergelijking met de jaren dertig zo gemakzuchtig. De appeasement-politiek van Chamberlain is niet in de herinnering blijven hangen omdat men zich met terugwerkende kracht is gaan schamen voor het verraad van Tsjechoslowakije. Men denkt terug aan München omdat men in 1938 onvoldoende heeft ingezien dat de annexatie van Sudentenland het begin was van de verovering van Europa door Hitler-Duitsland. Wat men zich kwalijk neemt is dat men de bedreiging van de eigen veiligheid niet op tijd heeft onderkend. En daar gaat de parallel met de jaren dertig niet op. De dreiging in ex-Joegoslavië rechtvaardigt geen oorlogsverklaring aan Servië. Misschien dat over tien jaar zal blijken dat daarmee een geweldige vergissing wordt gemaakt.

De verleiding tot cynisme is groot en moet weerstaan worden. Deze crisis is namelijk geen bewijs van de ongeloofwaardigheid van Europa, maar eerder toont het onverbloemd de kwetsbaarheid van een continent dat altijd het toneel van oorlog is geweest. Ook Peter Michielsen, die de voosheid van het Westen hekelde, heeft vorige zomer geschreven: “De aard en de schaal van de haat maken militair ingrijpen bij voorbaat zinloos. Een interventie, hoe omvangrijk en hoe langdurig ook, kan het probleem Bosnië niet oplossen.” Wie dat vindt, en het is een juiste inschatting, die moet ook nadenken over de logische gevolgen van dit uitgangspunt.

Zonder de wil tot grootschalige militaire interventie is namelijk elke strategie van afschrikking problematisch. In het begin van het conflict bestond er nog bij de Serviers twijfel over hoe ver het Westen zou willen gaan in militair opzicht. Door die onzekerheid bestond een zeker afschrikkingsevenwicht. Dat is inmiddels verbroken, getuige de val van Srebrenica en Zepa, en daar zullen de dreigementen met luchtacties voorlopig niet veel aan veranderen, gezien alle onzekerheid die deze vermaning omgeeft.

Hoever kan de huidige neutraliteitspolitiek dan nog reiken? Men kan het met Van den Broek eens zijn: “Ik ben geneigd tegen Milosevic te zeggen: 'U hebt nog tien dagen de tijd om de erkenning van Bosnië en Kroatië te realiseren, anders voelen wij ons gedwongen om het oorspronkelijke sanctiepakket ... opnieuw in te stellen'.” (NRC Handelsblad, 15 juli 1995). Daarmee is dus gezegd dat behoud van Bosnië als zelfstandige staat het doel is en blijft. Naar verluidt zou Milo-sevic deze stap willen zetten. Maar wie dwingt de samenhang van Bosnië tot in lengte van dagen af tegen de zin van de meerderheid, te weten de Kroaten en Serviers in en buiten Bosnië? Op die vraag geeft Van den Broek geen antwoord.

Sommigen hebben de speurtocht naar een zinvolle politieke oplossing al opgegeven en kiezen voor de opheffing van het wapenembargo en dus voor het vertrek van de VN. Het argument daarvoor is eenvoudig en moreel overtuigend: de moslim-bevolking heeft het recht op zelfverdediging.

Zo'n stap, die wordt gevraagd door de Bosnische regering, kan een keten van geweld uitlokken die tot over de grens van Bosnië en zelfs van het voormalige Joegoslavië reikt. Wanneer de oorlog in Joegoslavië aan zichzelf wordt overgelaten dan zal de Servisch-Kroatische oorlog binnen de kortste keren opnieuw ontbranden. Vervolgens kunnen gemakkelijk Griekenland, Turkije en Rusland in de draaikolk meegesleurd worden en zijn alle ingrediënten voor een Balkanoorlog aanwezig.

Kortom, opheffing van het wapenembargo is wel het meest onverantwoordelijke wat men kan doen, ook al lijkt de morele intuïtie die kant op te wijzen. Maar deze keer wordt het geweten geen gemakkelijke uitweg geboden.