KEES VERWEY 1900-1995; Bijna een eeuw stuurs, oprecht en slijpend kijken

T/m 27/8 is in het Frans Halsmuseum/Verweyhal, Grote Markt, nog de tentoonstelling 'Charlotte van Pallandt en Kees Verwey - portretten' te zien. Geopend: ma-za 11-17u, zo 13-17u.

'Het oog is een instrument dat steeds scherper wordt geslepen, naarmate het voortgaat met kijken'. Dat heeft Kees Verwey menigmaal gezegd en geen andere, Nederlandse, 20ste-eeuwse schilder als hij heeft diezelfde stelling zo lang in praktijk gebracht en er zo overtuigend vorm aan gegeven. Gisteravond is Kees Verwey op 95-jarige leeftijd na een kort ziekbed in Haarlem overleden. Een paar maanden geleden was hij nog samen met de beeldhouwster Charlotte van Pallandt, een dierbare vriendin en mede-exposante, te gast in het Stedelijk Museum in Amsterdam, waar een grote Breitner-tentoonstelling was ingericht. Het zou zijn laatste publieke verschijning zijn.

Een leven lang heeft Verwey zijn ogen geslepen om de dingen te leren doorgronden. Al werkend aan zijn grote stillevens en portretten durfde hij verder, steeds verder te kruipen in zijn onderwerpen. Hij hoefde geen verre reizen te maken voor wisselende vergezichten. Hij bleef thuis, in het schilderachtigste atelier van Nederland, een ander kunstwerk, waar alleen licht, stof en stilte de dingen omhullen en waar de puinhoop niet pathetisch was, maar poëtisch en fragiel. De verste reizen, zei hij zelf, lagen verscholen in dat geconcentreerde, slijpend kijken in de ruimte om hem heen.

Zijn blik kon een homp brood op tafel treffen, want ook die liet zich tot in de vezels aftasten. Op papier of op doek kwam daarna met die linkerhand van hem méér dan alleen brood te staan, eigenlijk ondernam hij een zoektocht naar 'het wezen van brood', met zijn structuur, kleur, lijn en licht; en dat het kneedbaar of breekbaar, zelfs tijdloos was, kon men er later in die stevige verfvlekken ook nog uit opmaken. 'Het schilderen is voor mij een andere vorm van beleven', zei Verwey eens. Wie zo naar de dingen kijkt, maakt veel mee op een reis van een vierkante meter.

Kees Verwey, vaak tekort gedaan met de enkelvoudige vermelding 'bloemenaquarellist', noemde zichzelf op hoge leeftijd 'een van die kunstenaars, wiens schitterende toekomst in het verleden ligt'. Hij dreef zo niet alleen een beetje de spot met zijn vele levensjaren en met het feit dat de publieke vergetelheid op de loer lag, maar net zo goed blijft die uitspraak van toepassing op zijn schilderkunst. Alle 20ste-eeuwse tendenzen zijn aan hem voorbijgegaan, hij bleef een 19de-eeuwer - een opvolger van Breitner -, die weliswaar modernistische zijweggetjes insloeg, maar in een Hollandse traditie het licht alle eer deed toekomen, die uiteindelijk hechtte aan de vormvastheid van de dingen, die in zijn portretten waarheidsgetrouw wilde zijn. Zò waarheidsgetrouw dat als een model hem vroeg een fysiek gebrek weg te moffelen, hij daar zelfs geen moment over peinsde. De wipneus, de dikke handjes of het loensende oog hoorde bij die persoon, vond hij; sterker nog, daar draaide het juist om. Door die stuurse, oprechte houding wezen zijn opdrachtgevers zijn portretten bijna allemaal af. Want Verwey registreerde ook nog andere subtielere trekken die menig model liever niet van zichzelf zwart gelijnd onder ogen kreeg.

Al schilderend aan zijn stillevens kregen de lichtste partijen voorrang. Hun contouren dankten ze aan donkere lijnen en omringende vlakken van soms innig rood, helderblauw of andere heftige gekleurde streken. In 'Een poging tot zelfanalyse' zette hij in 1980 in deze krant uiteen welke controverse voortdurend aan zijn stillevens ten grondslag lag: 'Beurtelings getrokken naar de precisie, die het volgen van de omtrekken van het object vereist, wil ik even later de banden verbreken, die zich steeds pijnlijker aan mijn gespannen aandacht hechten. Zo ontstond op den duur het meeste van mijn latere werk uit het aanvaarden van dit dualisme.'

Wie een blik werpt op de kleurenfoto's uit zijn atelier, een plek die hij zijn 'drug' noemde, begrijpt beter waarom allereerst dat vale, zachtmoedige licht op het platte vlak terecht kwam en daarna pas het onbestemde wat zich tussen de dingen ophoudt. De spiegels, het met verf besmeurde meubilair, het aardewerk of porselein, het gehavende klassieke beeld, de stenen kop van de farao, de dorre bladeren en bloemen; ze leken voor altijd voort te bestaan in een sfeer van milde acceptatie. Stoflagen of vieze prullen, die er sinds 1941 waren binnengeslopen, deden daar geen afbreuk aan. Het licht zegevierde, het dekte de afbraak toe, de tijd was er als vijand verslagen.

Verwey was 'een kind van streng protestantse ouders', zoals hij Bibeb van Vrij Nederland eens vertelde. Niet zijn ooms - de dichter Albert Verwey en architect Berlage -, maar de Maastrichtse aristocraat Henri Frédéric Boot zou zijn belangrijkste mentor worden. Een erudiet man die in een rommelig huisje in een armoedige volkswijk temidden van de 'eenvoudigsten van geest', zoals Verwey het zei, schilderde en ook Chinees zat te lezen. Boot had zich losgemaakt van de echte wereld, een onthechtingsproces waar zijn leerling naar eigen zeggen een leven lang in gefaald had. Later voelde Verwey zich thuis tussen vrienden als A. Roland Holst, Lodewijk van Deyssel, Godfried Bomans - schrijvers en dichters die ook een beetje verdwaald leken in deze eeuw. Pas in de jaren zeventig kreeg zijn naam, dankzij vele tentoonstellingen en publikaties, in zeer ruime kring bekendheid.

Hoewel in 1993 in Haarlem de door Wiek Röling ontworpen Verweyhal werd geopend, kon de schilder zich nog regelmatig beklagen over het gebrek aan erkenning. En kreeg hij die erkenning in de vorm van complimenten dan was hij er weer als de kippen bij om ze weerbarstig weg te wuiven. Vaker gaf hij korzelig uiting aan zijn ongenoegens. Zo kon het hem nog steeds dwars zitten dat destijds Stedelijk Museum-directeur Sandberg een gesprek met hem onderbrak om aandacht te schenken aan Karel Appel. Net zo vaak nam Verwey bij zo'n anekdotische vertelling dan weer wat gas terug, door er bijvoorbeeld snel aan toe te voegen dat Appel een 'onoverwinnelijke man was, hoor.'

Verwey had lak aan gedragscodes. Hij nam geen blad voor de mond, liet beleefdheden liever achterwege, hij mocht iemand wèl of helemaal niet. En als een persoon, van welke rang of stand dan ook, de pech had niet in de smaak te vallen, dan werd die subiet het huis uitgewerkt, desnoods met behulp van zijn wandelstok. Trots, een beetje malicieus, maar ook kinderachtig kon hij vertellen hoe hij zijn gasten testte op hun smaak, hun kennis, hun oprechtheid. Wie faalde had het voor altijd verbruid en zo'n voorval kwam dan ook nog menigeen ter ore.

Misschien heeft die afstand ten opzichte van zoveel mensen zijn kwetsbaarheid en zijn onzekerheid moeten camoufleren. Hoe zou hij anders die aquarellen hebben kunnen maken, waarbij elke bloem een overgevoelig schepsel lijkt dat maar nauwelijks windkracht twee kan weerstaan? En dan die zelfportretten, waarbij hij de toeschouwer afwerend, van op zij, een beetje verlegen, tegelijkertijd argwanend of hooghartig aankijkt, alsof hem ooit iets is aangedaan dat diep van binnen nimmer meer zal helen. 'Donder toch allemaal op', zo iets lijkt hij dan te mompelen.

Maar stel nu dat hij van jongsafaan tevreden was geweest, dat hij harmonieus en innig met zijn medemensen was opgetrokken, en dat hij ze niet had weggejaagd, maar gezegd had 'Kom toch allemaal gezellig binnen', dan zou een zeer bijzonder oeuvre - van knap getekende portretten, virtuoze aquarellen en van intieme stillevens die schilderkunstig zowel die norse als kwetsbare kant van de maker onthullen - nooit in dat eenzame rariteitenkabinet in Haarlem tot stand zijn gekomen.