Chronische ontduiking van opgelegde vangstquota; Slechte controle zeevisserij

DEN HAAG, 24 JULI. De verplichtingen die de Nederlandse zeevissers op zich hebben genomen om te voorkomen dat vis buiten de veiling om illegaal in de handel wordt gebracht, schieten tekort. Dat concludeert de Algemene Inspectiedienst van het ministerie van landbouw, natuurbeheer en visserij in zijn jaarverslag over 1994.

Vanaf 1 januari is meer dan 90 procent van de kottervloot ondergebracht in acht beheersgroepen, waarin de branche zelf verantwoordelijkheid draagt voor naleving van de afspraak dat de zeevisserij uit de sfeer van de illegaliteit blijft. In 1994 was het klimaat voor de ontwikkeling van die eigen verantwoordelijkheid goed, maar dat lag voornamelijk aan het feit dat de beschikbare vangstquota - Europees vastgesteld - voor de Nederlandse vissers voldoende soelaas bood.

De AID signaleert dat controle in eigen beheer van de veilplicht tot dusver nauwelijks gestalte heeft gekregen. Schending van de veilplicht wordt hoofdzakelijk door de controleurs van de AID zelf vastgesteld. In 1994 ging het om 26 gevallen, die zijn doorgegeven aan de groepsbesturen van de acht beheersgroepen.

“Het nakomen van de veilplicht en de eigen controle daarop wordt op dit moment ervaren als de zwakste schakel in het functioneren van de beheersgroepen,” aldus de AID. “De hamvraag blijft voorlopig hoe de naleving van deze veilplicht zal zijn als de quota onder druk komen te staan.”

De chronische ontduiking van de opgelegde vangstquota door vis zwart, dus buiten de veiling om, of grijs, via de veiling maar buiten de registratie van de veiling om, in de handel te brengen heeft voormalig minister Braks van landbouw en visserij de politieke kop gekost. De Tweede Kamer stelde de onderzoekscommissie Eversdijk in, die een vernietigend oordeel velde over ondermeer enkele veilingbesturen.

Een commissie Biesheuvel kwam vervolgens met een blauwdruk voor een nieuwe structuur, waarbij vissers onderling overeenkomsten aangingen voor een gezamenlijk beheer van de hen toegewezen vangstrechten. Bij dit nieuwe beheer in eigen verantwoordelijkheid zet de AID nu vraagtekens.

Ook de controle van de AID zelf is onvoldoende. “De naleving van technische maatregelen die visstanden moeten beschermen is slecht te noemen,” concludeert de inspectiedienst. “Staan quota wat betreft vangstrealisatie stevig onder druk, dan wordt vis veelvuldig aan vangstregistratie onttrokken.” Maar als omgekeerd de vangstquota ruim toereikend zijn, worden de beschermende maatregelen veelvuldig geschonden. De AID legde onder meer beslag op boomkorren, sleepnetten en ander verboden vistuig.

De controle-inzet op zee noemt de AID zelf “mager”. In 1994 wilde de AID 140 dagen op zee controles uitvoeren; het werden er slechts 80. Een bestendiging van de laatste jaren van een “grove onderrealisatie”, meldt de inspectiedienst. Dat lag niet alleen aan slecht weer, maar ook aan onvoldoende beschikbaarheid van in te zetten middelen.

In slechts 164 uur luchtsurveillance werden 46 overtredingen waargenomen, die leidden tot 46 processen-verbaal. Van de Nederlandse vissersschepen werd bij aanlanding in 1994 11,6 procent gecontroleerd; van de buitenlandse vissers die Nederlandse havens aandeden was dat 16 procent. (ANP)