Zwarte onschuld

JAMES GOODMAN:Stories of Scottsboro. The Rape Case that Shocked 1930's America and Revived the Struggle for Equality, 465 blz., geïll., Pantheon 1994, ƒ 54,20

'De rechtszaak van de eeuw' werd het genoemd, voordat O.J. Simpson er zijn naam aan leende. Negen zwarte jongens stonden van 1931 tot 1937 terecht in Dixie in de Amerikaanse staat Alabama op beschuldiging van verkrachting van twee blanke vrouwen. De vermeende mishandeling had plaatsgehad in een goederentrein van Chattanooga naar Memphis; de jongens en de vrouwen konden zich geen vervoerbewijs voor een passagierstrein veroorloven. Ze behoorden tot de honderdduizenden werklozen die, op het dieptepunt van de economische crisis in de Verenigde Staten, zich zwervend van staat naar staat in leven hielden.

Dat het tot een rechtszaak kwam, was al een klein wonder. Dat was te danken aan de onverschrokken houding van de sheriff van Scottsboro, waar de jongens gevangen werden gehouden nadat ze uit de trein waren gehaald. Met de hulp van zijn assistenten hield hij een groep woedende blanken op afstand, die de zwarten het liefst nog dezelfde dag had gelyncht. Niet dat het allemaal veel leek uit te maken. Bijna iedereen in Alabama verwachtte na een snel proces de doodstraf voor de negen jongens, in leeftijd variërend van dertien tot negentien jaar.

Geen erger misdaad in het Oude Zuiden dan schending van de kuisheid van een blanke vrouw door een zwarte man. De vraag of de vrouw daadwerkelijk was verkracht was daarbij van ondergeschikt belang: het feit alleen dat zij met een beschuldigende vinger wees naar een zwarte, bezegelde diens lot. Dat het recht in Scottsboro een andere loop nam was de niet geringe verdienste van de International Labor Defense (ILD), de juridische tak van de Amerikaanse Communistische Partij, die de verdediging van de zwarten op zich nam.

De ILD troefde daarbij de burgerrechtenorganisatie NAACP af en begon vervolgens een uiterst succesvolle publiciteitscampagne om de wereld buiten Dixie attent te maken op het onrecht dat zich in Alabama dreigde te voltrekken. Dat leidde tot petities van onder anderen John Dos Passos, Thomas Mann en Albert Einstein aan het adres van de gouverneur van de zuidelijke staat. De meesterzet van de ILD was het aantrekken van Samuel Leibowitz, een van 's lands beste advocaten en een enthousiast aanhanger van Franklin Roosevelt. Hij nam de aanklagers daarmee het argument uit handen dat de communisten de verdediging van de zwarten misbruikten ter meerdere eer en glorie van zichzelf. Leibowitz vroeg bovendien geen financiële vergoeding voor zijn werk: hij was overtuigd van de onschuld van de jongens en deed er alles aan om hen op vrije voeten te krijgen.

Filmisch

In de rechtszaal toonde Leibowitz aan dat de vrouwen allesbehalve de 'prize of southern womanhood' waren, zoals ze in de zuidelijke pers werden afgeschilderd, maar dames van losse zeden. De tegenpartij moest dit schoorvoetend toegeven, maar dat hield volgens haar nog niet in dat de vrouwen hadden toegestemd in geslachtsgemeenschap. Leibowitz maakte daarop duidelijk dat de jongens de vrouwen in de trein waarschijnlijk niet eens hadden gezien, laat staan aangeraakt.

Wat hij ook betoogde, indruk maakte het niet op de juryleden. Zij waren overtuigd van de schuld van de jongens op het moment dat ze de rechtszaal betraden. Niet alleen het feit dat de vermeende slachtoffers blanke vrouwen waren en de mogelijke daders zwarte jongens werkte tegen de advocaat. Diens messcherpe vragen mochten het goed doen in de rechtszalen van zijn thuisstaat New York, in Alabama werden ze als hoogst onfatsoenlijk ervaren. Het feit tenslotte dat hij joods was, schatrijk en uiterst ijdel maakte Leibowitz kansloos in Dixie. Dat hij in het noordoosten van het land uitgroeide tot een held, dat daar de processen werden gezien als een typisch voorbeeld van de achterlijkheid en het schandelijk racisme van het Oude Zuiden - het was niet meer dan een schrale troost voor Leibowitz, die had gezworen de negen jongens op vrije voeten te krijgen. Toch weigerde hij op te geven. Hij procedeerde net zo lang door tot de rechterlijke macht in Alabama er genoeg van had: na zeven jaar kwamen vier jongens vrij, in de oorlogsjaren drie en de laatste twee wisten te ontsnappen.

Stories of Scottsboro van de historicus James Goodman biedt wat de titel belooft: verhalen van de betrokkenen, waardoor de gebeurtenissen in de trein, de rechtszalen en de gevangenissen worden ontrafeld. Daarin schuilt het verschil met het vorige boek over Scottsboro, van Dan Carter (A Tragedy of the American South, 1969). Waar de laatste zich concentreerde op de processen en de conflicten tussen de ILD en de NAACP, daar komen de hoofdrolspelers nu zelf aan het woord. Goodman citeert veelvuldig uit de duizenden brieven die de jongens in de gevangenis schreven en distilleert daaruit hun onschuld; hij maakt duidelijk dat de vrouwen, die hij part-time prostituées noemt, hun onverwachte roem te gelde wilden maken en een nieuw leven beginnen. Daarbij gebruikt hij een filmische verhaaltechniek, met steeds wisselend perspectief, zonder de controle over de gebeurtenissen uit handen te geven. Want, zo schrijft hij in het voorwoord: “Ik besloot wiens verhalen te vertellen en hoe ze op te schrijven. Ik koos de centrale thema's en de context waarin ik ze tot uiting wilde laten komen. Ik besloot wie het eerste woord had en wie het laatste.”

Het boek begint en eindigt met een verhaal van een van de Scottsboro-jongens. Haywood Patterson opent met zijn versie van de gebeurtenissen in de trein; het laatste woord is aan Clarence Norris, aan wie in 1946 als enige van de negen gratie werd verleend door de gouverneur van Alabama, de bekeerde racist George Wallace. Voor het kantoor van de NAACP in New York zei Norris vlak na de officiële kwijtschelding van zijn straf: “Ik ben zo blij vrij te zijn. Ze zeiden dat ik een nietsnut was, een straathond, maar ik ben voor mezelf blijven opkomen en heb de waarheid verteld.”