Wie bezinning zoekt, kan nu voor een jaar broeder worden

LEIDEN, 22 JULI. 'Kloosterlingen-op-proef' zou men ze kunnen noemen: vijf Nederlandse mannen tussen de 35 en 40 jaar oud die op het punt staan voor ten minste één jaar toe te treden tot de Orde van de Franciscanen. Na dat jaar kunnen ze verder zien: òf blijven òf vertrekken. De nieuwe broeders zijn ongehuwd, enkelen zijn gescheiden. “Maar voor allen geldt dat ze op een keerpunt in hun leven staan”, zegt pater Eugène Plouvier uit Leiden. “Ze willen iets nieuws beginnen en nemen nu een jaar rust om zich op hun toekomst te bezinnen.”

Plouvier (66) is onder meer rector van een verpleeghuis in Katwijk en lid van de landelijke Franciscaner werkgroep voor publiciteit en werving. Daar werd eind vorig jaar het idee geboren om serieuze gegadigden de mogelijkheid te bieden zich tijdelijk aan een van de Franciscaner communiteiten te binden. Na een oproep via persberichten meldden zich zestien kandidaten, allen van rooms-katholieke huize. Daarvan zijn er elf afgevallen, omdat ze - in de woorden van Plouvier - “niet vonden wat ze zochten of omdat hun motivatie te kort schoot”. En hij kan het weten, want als coördinator van het experiment heeft hij ze stuk voor stuk uitvoerig aan de tand gevoeld.

Van de vijf die overbleven, is er één inmiddels te gast in het Franciscaner Huis aan de Jodenbreestraat te Amsterdam. Weldra begint hij aan een sterk verkort noviciaat (een proeftijd van een maand), waarna hij plechtig zijn intrede doet. Ook de anderen volgen dat traject, maar dan elders, in Heerlen en eventueel Rotterdam, waar soortgelijke kleine communiteiten bestaan, en in Megen, waar de Franciscanen over een klooster beschikken.

Achtergrond van het experiment, een novum in de geschiedenis van het Nederlandse kloosterwezen, is de voortgaande afkalving van de religieuze gemeenschappen, ook die van de Franciscanen of 'minderbroeders'. Plouvier: “Toen ik in in 1947 intrad, telde Nederland nog 1.450 Franciscanen, nu zijn het er 530 en dat restant is sterk vergrijsd. De gemiddelde leeftijd ligt rond de 65. Er sterven er veel meer dan er bij komen. Maar tegelijk zie je dat ons lichtend voorbeeld, Franciscus van Assisi, een grote populariteit geniet, vooral bij vredesgroepen en de milieubeweging. Omdat hij alle schepselen zijn zusters en broeders noemde. Dus kwam bij ons de gedachte op: zou het niet mogelijk zijn dat mensen zich tijdelijk aan Franciscus binden? Naar het voorbeeld van jongeren, die voor drie jaar naar ontwikkelingslanden afreizen.”

Voor deze vorm van toetreding heeft de orde leeftijdsgrenzen gesteld; gegadigden mogen niet jonger zijn dan twintig en in beginsel niet ouder dan 45. “Omdat we al zoveel bejaarden in huis hebben”, verklaart Plouvier, “en ook in verband met dat breekpunt in iemands leven. Dat zie je meestal niet bij ouderen.” Maar in de praktijk wordt de getalsnorm soepel gehanteerd. “Ik had zelfs een kandidaat van zestig, die om andere redenen is afgevallen: hij wilde uiteindelijk zelf niet.”

Wel heeft de orde voor de tijdelijke broeders een statuut opgesteld waarin afspraken over diverse leefregels zijn vastgelegd. Van de mannen wordt onder meer verwacht dat ze gedurende dat proefjaar een sober en celibatair bestaan leiden. Gehuwden komen voor het beknopte 'lidmaatschap' niet in aanmerking, maar ook hier geldt: in beginsel, wat de mogelijkheid van uitzonderingen inhoudt. Plouvier: “Ik zou me een echtpaar kunnen voorstellen dat een jaar afstand van elkaar wil nemen, zeg maar een jaar gescheiden leven en in zo'n geval zou de man bij ons kunnen intrekken.”

Behalve celibaat en eenvoud staat bij de Franciscanen ook religieuze beleving hoog genoteerd, maar in een verre van plechtstatige context. Plouvier bijvoorbeeld zit er ongedwongen bij in zijn kamer te Leiden, het open hemd losjes over de flanellen broek. Wel ikonen aan de muur, maar geen spoor van het bruine habijt. “Ja, dat draag ik natuurlijk regelmatig, maar het is niet altijd verplicht. Franciscus zei het al: onze plek is in de wereld, tussen de mensen.” En alsof het zo moet zijn, komt een werkster in shorts binnenlopen: “Eugène, er is telefoon voor je.”

Een veel geraadpleegd en druk bezet man, deze volgeling van Franciscus, maar wat staat de nieuwelingen in hun Amsterdamse of Heerlense communiteit te wachten? 's Ochtends vroeg en 's avonds zijn er de gezamenlijke gebeden, soms gecombineerd met zang en eucharistie, maar daartussen moeten alle leden hun beroepsmatige draai zien te vinden. Ook de tijdelijke, al heerst in hun geval nog enige onduidelijkheid.

“Sommigen”, aldus Plouvier, “kunnen hun normale beroep blijven uitoefenen, wat neerkomt op een part-time baan, maar anderen zijn werkloos en moeten binnen of buiten de communiteit zinvol aan de slag. Daarover praten we nog met betrokkenen. Vrijwilligerswerk is een van de mogelijkheden. Opvang van daklozen, vluchtelingen, drugsverslaafden. En dat alles weer volgens Franciscus, die niet alleen een man van bezinning was, maar ook van solidariteit. Solidariteit met al diegenen die aan de rand van de samenleving staan.”