Stadsgeschiedenis met gebreken

G.F. VAN DER REE-SCHOLTENS (red.): Deugd boven geweld. Een geschiedenis van Haarlem, 1245-1995, 690 blz., geïll., Verloren 1995, ƒ 75,-

Bij een jubileumjaar hoort een jubileumboek. Het 750-jarig bestaan van Haarlem als stad werd aanleiding om een nieuwe stadsgeschiedenis uit te geven, die een synthese zou moeten zijn van alles wat er inmiddels over de historie van de gemeente is gepubliceerd. Dat is een lastig startpunt, want wàt is 'alles' en is dat alléén wat aantoonbaar is?

Dat de boekdrukkunst door Laurens Janszoon Coster in Haarlem werd uitgevonden en dat het procédé door een onbetrouwbare knecht werd gestolen en in Mainz in handen kwam van Gutenberg, die er goede sier mee maakte, is historisch onjuist. En dat Kenau Simonsdr. Hasselaer, aanvoerster van een 300-koppig vrouwenvendel tijdens het Spaanse beleg van 1572-73, krijgsdaden op haar naam bracht, is ook niet meer dan fantasterij. Op bladzijde 92 wordt vreemd genoeg gesteld dat Coster, Kenau en Dirck Volckertsz. Coornhert door de tijd heen de beroemdste Haarlemmers zijn. Dat geeft dan wel te denken over de perceptie van het stedelijk verleden van de verantwoordelijke redacteuren. Te meer daar we over de laatste, de enige die werkelijk iets in de melk te brokken heeft gehad, niet veel meer vernemen dan dat hij een zeer veelzijdig mens was, die zich keerde tegen doodstraf en onverdraagzaamheid.

Deugd boven geweld is verschenen als voornaamste uitgave bij de verjaardag van Haarlem. De laatste decennia zijn er talrijke boeken en artikelen over Haarlem verschenen en het gemis van een synthetiserende uitgave deed zich steeds nadrukkelijker voelen. Zo'n tien jaar geleden werden hiertoe de eerste voorbereidingen getroffen en hoewel aanvankelijk werd gemikt op een mogelijk driedelige uitgave, waarin alle aspecten van Haarlems verleden ruim aan bod zouden komen, is uiteindelijk voor een soberder opzet gekozen.

Het zwaartepunt van de bundel ligt op de sociaal-culturele geschiedenis, terwijl de ruimtelijke en de economische ontwikkelingen slechts als grondschets dienen. Dat er nu aantoonbare onjuistheden in de tekst en de figuren zijn geslopen op het gebied van de ruimtelijke ontwikkelingen en de economie is wellicht toe te schrijven aan een eenzijdige keuze van auteurs en redacteuren. Hoe is het bijvoorbeeld mogelijk dat in de eerste alinea wordt beweerd dat de strandwallen langs de Hollandse kust konden ontstaan dank zij een voortdurende daling van de zeespiegel, terwijl elke middelbare scholier van voor ca. 1970 weet dat het zeeniveau sedert de laatste ijstijd stijgende is. Waarom ook klakkeloos een kaart gekopieerd die van niet later dan 1971 stamt waarop de uitbreiding van de oude stad schematisch is weergegeven, terwijl inmiddels veel gedetailleerder gegevens beschikbaar zijn, die bovendien niet in de tekst zijn verwerkt?

Een ander punt betreft de economische geschiedenis, die de lezer al evenzeer met vraagtekens laat zitten. Op bladzijde 51 wordt stellig beweerd dat het aantal bierbrouwers in de loop van de 16de eeuw sterk afnam, tot er in 1580 nog slechts 11 werden geteld. Pagina 177 leert ons echter dat het cijfer een stijgende lijn vertoonde: in 1572 waren er 50 brouwers en in 1620 zelfs 100!

Zo valt er nog wel meer op deze facetten van het boek af te dingen, maar als de 50 auteurs en redacteuren oprecht beloven volgende keer (historisch-)geografen en economisch-historici in hun midden toe te laten, zullen we verder niet flauw zijn.

Geestelijk leven

Het rijk geïllustreerde Deugd boven geweld laat zich op twee manieren lezen. Het is chronologisch en thematisch in blokken verdeeld. De tijd is in vier perioden gesplitst en binnen elk van die eenheden wordt vervolgens steeds een zestal min of meer identieke onderwerpen aan de orde gesteld. Wie wil kan dus een bepaald thema door de eeuwen volgen en de rest overslaan; wie het anders wil leest gewoon per tijdvak.

Aantrekkelijk om thematisch te lezen zijn onder meer de vier bijdragen over het geestelijk leven van de Haarlemmers. Ze zijn van verschillende auteurs, maar blijken van een opmerkelijk consistente opzet en zijn bewust of onbewust op tegenstellingen geconcentreerd. Juist in onze jaren van afnemende kerkelijkheid en van dalende tolerantie is het goed hieraan ruim aandacht te schenken. Het spits wordt afgebeten met een verhandeling rond het vroegste christelijke dat wil zeggen rooms-katholieke leven in Haarlem en de auteur verdiept zich vooral in kloosterorden en hun rivaliteiten. Zijn analyse van de prille jaren der Reformatie blijft wat steken in oppervlakkigheden en de volgende auteur vult dit gat in haar bijdrage, die een aanvang neemt in het jaar 1577, helaas niet op. Ook zij gaat in op de tegenstellingen binnen het geloofsleven, maar nu betreft het de ingrijpende gevolgen van de scheuring der 'moederkerk'. De meeste kerkgebouwen, waaronder de nog maar kort tevoren tot kathedraal (bisschopskerk) verheven St. Bavo, werden direct na de overgang naar de Reformatie ingericht voor de hervormde of - wat toen hetzelfde was - gereformeerde dienst, terwijl de kerkelijke goederen vervielen aan de stad. Katholieken mochten hun geloof voortaan nog slechts op minder prominente plaatsen belijden, wat tot het ontstaan van zogenoemde schuilkerken leidde. Ook werden hun enige beperkingen in het openbare leven opgelegd.

Mettertijd verloren de katholieken aldus formeel terrein aan de hervormden, maar achter de schermen bleef de oude geloofsorganisatie toch redelijk intact. Zo verschenen er na de formele opheffing van de kloosters zogeheten kloppen op het toneel, vrouwen die ongehuwd bleven en die zich inzetten voor kerk, devotie en liefdadigheid. Doordat ze dicht bijeenwoonden en hun huizen vaak binnendoor verbonden waren, vertoonde hun leven toch enige kloosterlijke kenmerken.

De gereformeerden of hervormden raakten rond 1620 in een ernstige crisis door een tegenstelling tussen twee Leidse theologen, de bij velen bekende hoogleraren Arminius en Gomarus. De kwestie liep zo hoog op dat zelfs het staatsbestel wankelde en de oude Johan van Oldenbarnevelt om zijn overtuiging - en door toedoen van prins Maurits - werd onthoofd. Ook in Haarlem leidde een en ander tot beroering: het stadsbestuur wenste invloed te behouden op de aanwijzing van predikanten en kerkraadsleden, maar rechtzinnige calvinisten onder de gereformeerden wezen iedere overheidsbemoeienis af.

Dat de zaak werd gesust betekent echter niet dat de geloofsperikelen voorbij waren. In de negentiende eeuw begon de scherpslijperij voor de zoveelste keer en er wordt onder meer verhaald over de Afscheiding van 1834 en de Doleantie van 1886, die ten slotte leidden tot het ontstaan van aparte gereformeerde en hervormde kerken. Dat dogmatisme en fanatisme de stad evenwel nooit sterk in hun greep hebben gekregen, wordt onderstreept met de zin: “Haarlem was afkeerig van uitersten.”

Tabaksoproer

Echte rust kwam er zelfs niet in de twintigste eeuw, toen de rooms-katholieke kerk zich langzamerhand weer tot Haarlems grootste religieuze groepering wist te ontwikkelen. De massale leegloop van de kerken deed zich het eerst voor onder de protestanten (de niet-rooms-katholieken). Tegelijk met de (absolute en relatieve) groei der katholieke gemeenschap kreeg dit volksdeel tevens kans zich uit zijn verhoudingsgewijs achtergestelde sociaal-economische positie te bevrijden. Haarlem werd weer bisschopsstad en kreeg in de jaren rond 1900 een schitterende nieuwe kathedraal, een ontwerp van J.Th. Cuypers.

Zoals bij elk werk dat een synthese poogt te zijn van de kennis tot dan toe, kan ook in deze uitgave een vraagteken worden gezet bij de selectie en vooral bij de diepgang der onderwerpen. Zo zijn verschillende auteurs gewetensvol ten strijde getrokken om zo weinig mogelijk van de voorhanden kennis weg te laten en zijn andere juist op de meer anekdotische toer. De leesbaarheid van een hoofdstuk van het laatste type is veel groter en wanneer we in het 'Woord vooraf' lezen dat naast professionele historici juist de geïnteresseerde leek van het begin af aan de doelgroep is geweest, kan men zich afvragen of sommige hoofdstukken niet wat luchtiger hadden kunnen blijven.

De opsomming van een reeks vergeten 16de-, 17de- of 18de-eeuwse auteurs en hun 'meesterwerken' nodigt niet uit tot lezen. Een verkorte weergave van de 'toppers' zou die nieuwsgierigheid wel hebben kunnen prikkelen. Spreekt het werk van een Bredero niet nog steeds tot de verbeelding? Veel aardiger is het dan te vernemen dat in 1690 een 'Tabaksoproer' uitbrak nadat een verbod op het in het openbaar pijproken was uitgevaardigd. Wie hierop werd betrapt moest een boete betalen en wanneer hij dat niet kon, werd hem zijn rok (bovenkledingstuk) afgenomen. Toen dit een keer gebeurde en de roker letterlijk in zijn hemd kwam te staan, trok een boze, demonstratief rokende menigte langs de huizen van de schout en burgemeesters en richtte daar vernielingen aan. Dàt is pas sociaal-culturele geschiedenis. Of precies 300 jaar later, toen in het tv-programma 'Klasgenoten' eindelijk uit de doeken werd gedaan dat niet Harry Mulisch in januari 1946 een bom tegen de muur van zijn vroegere school had laten ontploffen, maar een voormalig verzetsman. Dit nota bene naar aanleiding van een ernstig geschil in 1944 over het al dan niet aan de Duitse bezetter overhandigen van een lijst met namen van leerlingen ouder dan 17 jaar.

Het is altijd jammer wanneer een uitgave aan een definitieve deadline, zoals in dit geval het jaar 1995, is gebonden. Fouten, doublures en omissies kunnen dan niet altijd worden vermeden. Daar staat tegenover dat hier het potentieel niet voldoende werd benut. Deugd boven geweld is een aanwinst op het terrein van de stadsgeschiedenis, maar het boek verdient wegens de geconstateerde manco's niet het gezag dat men nastreefde en dat het eigenlijk had moeten krijgen.

    • A.F.J. Niemeijer