Perestrojka in de provincie: de prijs van worst en melk gaat voor alles; Rondkomen in Totma

Halverwege Moskou en Archangelsk ligt Totma, een provinciestadje zoals er in Rusland honderden zijn. Wat is daar in het dagelijks leven veranderd, na de val het communisme? Over een onderwijzeres die op aardappels leeft en een kruidenier die een prijzenslag voert waar de concurrent niets van begrijpt. “We hebben perestrojka gekregen. Sindsdien werkt niets meer, dat weet u toch zelf?”

Wie van Moskou naar Totma rijdt, leert behalve het landschap ook meteen de verhoudingen in Rusland kennen. De rit begint op de Vredesprospekt, een Moskouse boulevard van acht rijstroken breed. Aan de rechterkant zijn onlangs een discotheek en een Zuidamerikaans fastfood restaurant geopend. De ijsverkoper Baskin & Robbins zit er al langer. Aan de linkerkant vestigen zich steeds meer modewinkels. Halverwege de Vredesprospekt ligt het voormalige Park van de Economische Prestaties, een soort wereldtentoonstelling van het beste dat de Sovjet-Unie te bieden had. Het mag inmiddels het Park van de Economische Hervormingen worden genoemd: in de paviljoens waarin vroeger de prestaties van de lucht- en ruimtevaart werden gevierd, worden nu Duitse auto's, Japanse stereo-installaties en Italiaanse schoenen te koop aangeboden.

Buiten Moskou gaat de Vredesprospekt over in de weg naar Sergejev Posad, een stadje dat als het Vaticaan van de Russisch-Orthodoxe kerk mag worden beschouwd en sinds jaar en dag een toeristische attractie is. De zestig kilometer asfalt ernaartoe behoren tot de best onderhouden van het land. Na Sergejev Posad, als het aantal hoogwaardigheidsbekleders en buitenlandse gasten afneemt, versmalt de weg zich en verdwijnt de vangrail. Op sommmige stukken verdwijnt ook het asfalt. Tot Jaroslav is het dan nog zo'n tweehonderd kilometer. Van Jaroslav tot Vologda, ongeveer tweehonderdvijftig kilometer, dwingen gaten en scheuren tot plotselinge rukken aan het stuur. De in Moskou gevulde benzinetank raakt nu langzamerhand leeg, maar van de twee tankstations op dit traject heeft er één geen benzine en de ander tijdelijk geen stroom. Buiten de Russische hoofdstad is het raadzaam zelf jerrycans brandstof mee te nemen.

Voorbij Vologda gaat de tweebaansweg nog zo'n achthonderd kilometer verder naar het noorden tot Archangelsk, maar de automobilist met bestemming Totma slaat na een uur rechtsaf een smalle bosweg in. Er staat een bordje: Totma 154. Dat zijn honderdvierenvijftig kilometer. In Totma zelf, tenslotte, is de hoofdstraat weer gedeeltelijk verhard. Alle andere straten zijn zand en modder. Jeeps, Mercedessen, en BMW's zoals die Moskou doorkruisen zijn in Totma nog niet gesignaleerd. Een oud model Volkswagen Golf baart hier al opzien. In Totma moet iedere bezoeker zich nog steeds registreren bij de politie. Die zet dan een stempel in het paspoort.

Echt Rusland

We gingen naar Totma om te kijken hoe het gaat met de hervormingen in de provincie. Totma is met 10.000 inwoners de hoofdstad van het rayon Totma, een gebied zo groot als Nederland waar 22.000 mensen wonen. Zeventien rayons vormen samen de provincie Vologda. Achtentachtig provincies, regio's en republieken vormen samen Rusland. In Totma is Ivan Koeskov geboren, lid van de expeditie die in 1741 Alaska ontdekte, maar verder heeft het stadje weinig om trots op te zijn. Het ligt aan de rivier de Soechona. Het vervoer per rivierboot speelt een belangrijke rol in Rusland; het havenstadje Totma, zo was in Moskou verteld, is nog het 'echte Rusland'.

Alleen varen de boten niet meer. Al een jaar niet meer. Het negentiende-eeuwse houten waterstation ligt er verlaten bij. “U moet bij het busstation wezen”, zegt een man die op de schuin gezakte aanlegsteiger zit te vissen. Naar de dorpen stroomopwaarts rijden nu bussen, dat wil zeggen: vrachtwagens waarop met kunst en vliegwerk een passagiersruimte is gebouwd. Ze puilen uit met mensen die hier in Totma inkopen hebben gedaan. Het busstation zelf is ook in gebruik als markt. Voor het loket waar de kaartjes worden verkocht heeft een vrouw een klaptafeltje opgezet waarop medicijnen te koop liggen.

De 'bootsman', zoals dat in goed Russisch heet sinds Peter de Grote Zaandam bezocht, zit thuis. Thuis is in Totma meestal een houten woning van één verdieping met daaromheen een groentetuintje, waarin ook de wc zich bevindt. Warm water ontbreekt. En dan ligt de Sovjetstraat, waar de bootsman woont, nog in het centrum van Totma. Aan de rand van de stad, waar de groentetuinen wel veel groter zijn, moeten de bewoners hun water halen bij een pomp. Gelukkig is douchen zomers niet echt nodig in Totma. Vanuit elk huis is het niet meer dan een paar honderd meter naar de rivier.

De bootsman kijkt televisie. Op dit moment de bekerfinale tussen Dinamo Moskou en Rotor Volgograd, voor hem in zwart-wit. Maar ook na de voetbalwedstrijd (Dinamo wint na strafschoppen) heeft hij geen zin om te praten. “De boot vaart niet meer. Wat is er verder nog over te zeggen? We hebben perestrojka gekregen. Sindsdien werkt niets meer, dat weet u toch zelf.” De bootsman is nog geen vijftig en al met pensioen. Hij heeft zijn hele leven gevaren en kan niets anders. Er is ook niet veel anders, hier in Totma.

Zijn vrouw, die thee komt brengen, werkt in het onderwijs. Al vijfentwintig jaar. Haar salaris bedraagt nu 150.000 roebel per maand, vijftig gulden, maar dat van de maanden mei en juni heeft zij nog niet ontvangen. “Het geld is op, zeiden ze bij de gemeente. Maar ze hebben beloofd dat we het voor de vakantie zouden krijgen.” Dat is over twee weken. Hoe komt ze ondertussen rond? “We verbouwen aardappels, we hebben sla, we maken jam. In de winkel halen we alleen het allernoodzakelijkste.” De aardappels staan elke dag op het menu. De jam komt op een lepeltje bij de thee als er gasten zijn. Niet alle collega's nemen hiermee genoegen. “Een jonge lerares Engels is secretaresse geworden in Vologda. Dat gebeurde vroeger nooit, dat iemand zomaar van baan wisselde en verhuisde. Je kreeg eenvoudig geen toestemming.” Een vervangster is nog niet gevonden. Maar de lerares Russisch spreekt ook een beetje Engels en die neemt nu waar.

Ze spreekt over vaderlandsliefde. “Dat houdt ons overeind. Russen kunnen eindeloos lijden als het moet. Maar iemand moet wel de kinderen opvoeden. De kinderen zijn toch de toekomst van het land.” Over haarzelf wil de lerares eigenlijk niet praten. “Wij zijn maar kleine mensen”, zegt ze, zoals in Rusland wel vaker wordt geantwoord als iemand een oordeel wordt gevraagd. Veel bezorgder dan over zichzelf is ze over de auto. Onze auto. “Die kunt u hier niet zo laten staan. Dan halen ze de wielen eraf, de spiegels, alles wat van waarde is halen ze eraf.” Hier in Totma? Volgens de onderwijzeres wel. “Ze stelen tegenwoordig zelfs de tomaten uit de tuin.” Het is maar het beste de auto neer te zetten op de enige betaalde parkeerplaats in de stad. Die van het politiebureau.

Doorgezakt

De volgende morgen volgt een rondleiding door de school en kennismaking met de directrice, Ljoebova Perelajeva. De school is gevestigd in een drie verdiepingen hoog bakstenen gebouw uit 1904, dat wel een verfje kan gebruiken. Naar Russisch gebruik hebben de oudsten van de zeshonderd leerlingen deze maand examens, hebben de jongsten al vakantie en hebben de kinderen van de middelste klassen 'praktikum'. In Totma betekent praktikum dit jaar het opknappen van de school. Er zijn kinderen in de weer met doorgezakte stoelen, met verfkwasten en met het boenen van de vloer. Maar er zijn ook drie meisjes die een 'museum' over de school inrichten. Met een portret van de beroemdste ex-leerling, de dichter Nikolaj Roebtsov en met een lijst van gevallenen in de Grote Vaderlandse Oorlog.

Wat is er hier de afgelopen jaren veranderd? “Ideologie speelt geen rol meer, niet op school en niet meer bij de kinderen thuis, en ik weet eerlijk gezegd niet of dat een verbetering of een verslechtering is”, begint de 54-jarige Perelajeva voorzichtig. Vroeger, zo zegt zij, hielden de kinderen zich na schooltijd bezig met goede werken. Ze hielpen oorlogsveteranen, gepensioneerden en andere kinderen. Dat was geregeld, dat was verplicht door de jeugdafdeling van de communistische partij. “Nu is er die vrijheid. Kinderen mogen na de lessen doen wat ze willen. En wat doen ze? Ze hangen maar wat rond en veroorzaken moeilijkheden.” Daar staat tegenover dat de leerkrachten ook vrijheid hebben gekregen. “De schoolleiding mag nu zelf een deel van het programma samenstellen en de meeste leerboekjes zijn vernieuwd. Dat is goed, neem ik aan.”

Voordat we het weten gaat het gesprek weer over salarissen en over de prijzen van worst en melk. Meer dan met wat dan ook zijn de mensen in Totma bezig met rondkomen. Een belangrijke rol daarbij speelt de uit de Sovjet-Unie overgebleven gewoonte op het werk tussen de middag gratis warm te eten. Vandaag serveert de kantine van de school soep en een bonengerecht. Vroeger was dat natuurlijk beter, excuseert de directrice zich, maar een lerares biologie aan de andere kant van de tafel legt dan met een klap haar lepel neer. “Hou nou toch eens op over vroeger! De mensen zijn gewoon vergeten hoe het vroeger was”, barst ze los. “Iedereen doet alsof we het zo goed hadden. Maar suiker was op de bon, melk was op de bon, we stonden voor de winkels uren in de rij. Was dat zo mooi?”

Wat de biologielerares betreft is het leven eerder verbeterd dan verslechterd. “Het belangrijkste is dat we geen blat (relaties) meer nodig hebben. Vroeger lukte alleen iets als je kennissen had. Goede worst werd alleen via de achterdeur verkocht. Nu ligt de worst gewoon te koop in de winkel. Er is alleen geld voor nodig. Goed, dat hebben we nog niet, maar het systeem is tenminste duidelijk.” Er valt een korte stilte waarna de directrice verklaart: “U ziet, wij zijn hier allen optimisten. Dat is het belangrijkste, optimistisch blijven.”

Het lukt vervolgens niet om het gesprek een politieke wending te geven. Iedereen aan tafel kijkt een beetje verbaasd, alsof ze zich afvragen wat dàt er nou mee te maken heeft. “Politiek is politiek, wij leiden ons eigen leven”, zegt de directrice. Nadenken over de juiste kandidaat bij de parlementsverkiezingen in december of de presidentsverkiezingen volgend jaar heeft niemand hier gedaan. “De mensen die zeggen dat het geen zin heeft om te stemmen omdat er toch niet wordt geluisterd hebben natuurlijk wel een beetje gelijk”, vindt ook de biologielerares. Ze verwijst naar het referendum in juni 1991 waarin een aanzienlijke meerderheid van de bevolking zich uitsprak voor in standhouding van de Sovjet-Unie. “We stemden allemaal voor de Unie. En wat gebeurde er daarna? Nee, als ze zo weinig aandacht besteden aan de mening van het volk kunnen ze er maar beter niet naar vragen.”

Het grootste probleem voor de school - na het financiële - heeft op het eerste gezicht ook weinig met politiek te maken. Het speelt niet eens op school, maar bij de leerlingen thuis. “Er zijn steeds meer ouders die drinken en daarom niet meer goed op de kinderen letten”, vertelt directrice Perelajeva. “Ik werk hier nu sinds 1962 en dat moeders drinken, dat bestond eenvoudig niet. Nu wel. Waarom? Wie zal het zeggen, misschien is met de ideologie ook alle discipline verdwenen. Kinderen komen op school zonder hun huiswerk te hebben gedaan, met hun kleding niet in orde, en zelfs hongerig. Dan blijkt dat ze thuis helemaal niet te eten hebben gekregen.”

Rusland is altijd een land van stevige alcoholconsumptie geweest, daar heeft de revolutie van 1917 weinig aan veranderd en die van 1991 evenmin. Integendeel. Wodka is met de invoering van de markteconomie alleen maar goedkoper geworden. Er wordt ook niet geheimzinning over gedaan. In zijn autobiografie beschrijft president Jeltsin met gevoel voor humor hoe hij eens in de winter vast kwam te zitten in een dorp in de Oeral en dat hij niemand, maar dan ook niemand kon vinden die nuchter was. “We proberen er wel met ouders over te praten maar vaakt loopt zo'n gesprek uit op ruzie”, zegt Perelajeva. “Ze beginnen dan te schreeuwen dat de school met hun privéleven niets te maken heeft. En formeel is dat helaas zo.”

Dassen

Het wijn- en limonadefabriekje van Totma maakt niet de indruk de consumenten met produkten te overvoeren. Zeker niet nu de lopende band stilstaat waarop de gevulde wijnflessen naar de etikettenmachine worden gevoerd. Het personeel, dat geheel bestaat uit vrouwen - de directie vindt dat alcoholproduktie niet aan mannen kan worden toevertrouwd - maakt van de gelegenheid gebruik om een flesje te nuttigen. Het gaat hier overigens niet om wijn in de Franse betekenis, maar om een soort suikerwater op basis van naar keuze rode bessen, zwarte bessen of aardbeien. De monteur laat op zich wachten. Begrijpelijk, want hij is nog niet gewaarschuwd. Het contact met de technische dienst behoort tot het takenpakket van de ploegleider en die is hedenmorgen afwezig. Zo legt één van de arbeidsters directeur Vladimir Tolokonikov uit die toevallig langskomt omdat hij de fabriek laat zien.

Tolokonikov is een directeur van een type dat in Rusland veel voorkomt: een man die als arbeider is begonnen en nooit heeft kunnen wennen aan de dassen en jasjes die met het directeurschap gepaard gaan, maar die zich wel het bijbehorende jargon eigen heeft gemaakt. Deze directeur was jarenlang vice-voorzitter van de communistische partij in Totma. Zijn toenmalige baas ziet Tolokonikov nog bijna elke dag, want die is nog steeds de hoogste bestuuurder in het rayon. Allebei hebben ze het portret van Lenin nog achter hun bureau hangen, “een historische figuur die in ere moet worden gehouden voor wat hij voor het land heeft betekend”.

“Laten we maar eerlijk zijn”, zegt de directeur, “het gaat niet goed.” Dat ligt niet aan de produktie, niet aan de distributie, het ligt aan de overheid. De wijn- en limonadefabriek is sinds 1948 onderdeel van de kolchoz Totma, een coöperatie met over het hele rayon verspreid zesduizend leden die werken in de landbouw, in bijbehorende fabriekjes en in 29 winkels die de produkten uiteindelijk verkopen. “Het is een goed systeem, dat ruimte biedt voor particulier initiatief”, onderstreept Tolokonikov. “Als een omaatje haar pensioen wil aanvullen dan kan ze in het bos bessen plukken en die tegen vaste prijzen aan ons verkopen. Maar volgens die zogenaamde hervormers is het niet effectief. Ze willen coöperaties afschaffen. Ze denken dat concurrentie beter werkt. Ja, in de steden misschien. Maar wie bevoorraadt straks de enige winkel in een dorpje honderd kilometer verderop?”

Dat afschaffen van het coöperatieve systeem gebeurt in de praktijk volgens Tolokonikov door het onthouden van steun en door het selectief heffen van hoge belastingen. “Selectief, want wij zijn als oud-staatssysteem makkelijk te controleren. Die jongens die vanuit de achterbak van hun auto en vanuit kiosken handelen kunnen doen wat zij willen. Dus daar kunnen wij met onze prijzen nooit tegenop.” Hij heeft het afgelopen anderhalf jaar al drie coöp-winkels moeten sluiten. Intussen komen er andere, particuliere winkels bij. Volgens de directeur waren vroeger praktisch alle verkooppunten in het rayon Totma eigendom van de coöperatie en nu nog slechts éénderde. Hij wijst erop dat van de werkende bevolking in het rayon wel voor ongeveer de helft afhankelijk is van zijn coöperatie. “Ik ben er trots op dat wij tot nu toe al ons personeel elke maand salaris hebben kunnen betalen. Maar hoelang kan dit zo nog doorgaan?”

Afgestoft

De nieuwe 'Lider' levensmiddelenwinkel doet in niets denken aan de kiosk of achterbak waarover Tolokonikov sprak toen hij het had over zijn concurrenten. De 'Lider' (afgeleid van het Engelse leader) is nog lang geen Westers-ogende supermarkt zoals die bijna wekelijks in Moskou worden geopend. De klanten staan aan de ene kant van de toonbank, de produkten aan de andere en daartussenin staan verkoopsters die allesbehalve vriendelijk zijn. Maar de potten soep (8000 roebel, 2,75 gulden), de flessen tomatenketchup (4500 roebel, 1,55 gulden) en de pakken vruchtensap (5800 roebel, 2,00 gulden) staan keurig tentoongesteld op afgestofte planken. De prijzen zijn vergelijkbaar met de paar andere winkeltjes in Totma, maar de keuze is groter en het stinkt er minder.

“Natuurlijk betalen wij belasting. Wij zijn een volledig legale onderneming”, zegt de dertigjare Oleg Sidortsjoek, filiaalhouder. Hij is al gewend aan beschuldigingen van malversaties. “De coöperatie kan eenvoudig geen andere verklaring voor de eigen achteruitgang vinden. Ze doen immers alles nog zoals vroeger en vroeger was dat genoeg.” Hijzelf weet wel beter. “Wij zorgen dat wij altijd in enkele produkten absoluut de goedkoopste zijn, maar niet steeds in dezelfde produkten. Zo garanderen we dat klanten naar onze winkel blijven komen.” Artikelen die slechter gaan verkopen haalt hij uit het assortiment, zoals onlangs Uncle Ben's rijst. “Te duur en de nieuwigheid is er af. Ik hou alleen nog een paar pakjes op de plank omdat die mooie verpakking goed staat.” Vers vlees verkoopt hij in de zomer helemaal niet: de kosten van de koeling maakt dat onrendabel.

Sidortsjoek, geboren in Wit-Rusland, is een voormalig beroepsmilitair die zes jaar geleden met zijn eenheid naar Totma kwam om nieuwe wegen aan te leggen, iets waarvoor het Russisch leger regelmatig wordt gebruikt, overigens met gemengde resultaten. Anderhalf jaar geleden heeft de luitenant ontslag genomen om een handelsbedrijf op te zetten. Dat mislukte, maar hij kwam daardoor wel in contact met de firma 'Anna & K' die hem vroeg filiaalhouder te worden in een van haar inmiddels zestien winkels.

'Anna' is een oud-medewerkster van een wodka-fabriek in Vologda die na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie problemen kreeg met de distributie. De fabriek vroeg haar toen de verkoop ter hand te nemen, en toen zij daarin slaagde begon zij voor zichzelf. 'K' staat voor Kompany. De Kompany zorgt voor de toevoer van de produkten, voor de gemeenschappelijke administratie en voor bescherming tegen iedereen die de Lider-winkels kwaad zou willen doen. Sidortsjoek onderstreept echter dat hij in Totma van afpersers of 'mafia' nog nooit last heeft gehad.

Het personeel van de Lider behoort tot het best betaalde in de hele stad. De filiaalhouder zelf krijgt 900.000 roebel per maand (310 gulden) en de 26 winkelmeisjes - de winkel is zeven dagen per week twaalf uur per dag open - gemiddeld 500.000 roebel (172 gulden). Sidortsjoek ziet in de ontwikkelingen van de laatste jaren dan ook bijna uitsluitend vooruitgang. Hij droomt er al van een 'business club Totma' op te richten, alleen weet hij nog niet wie hij als lid moet uitnodigen. “Dat het met veel mensen slechter gaat is nu eenmaal de prijs van de nieuwe tijd”, vindt hij, al zit Lider er wel mee dat het niet op tijd uitbetalen van salarissen de afzet bedreigt. Het toenemend alcoholisme is voor de winkel eerder een zegen dan een probleem. “Wodka is ons best verkopende produkt, zo'n duizend flessen per dag.”

Maar genoeg gepraat. “Kijk zelf”, zegt hij uitnodigend, “de klant heeft toch altijd gelijk?” En het is een feit: de klanten staan bij Lider in de rij.

Wie naar buiten gaat ziet ze van verschillende kanten juist naar deze winkel toekomen. Terwijl aan de overkant toch ook een Coöp zit. Maar vergeleken met de Lider is het in de kleine Coöp donker, zo donker dat de klant even moet wennen voordat tot aankopen kan worden overgegaan. Veel te kopen is er niet. Een halve kip (ongekoeld), pakjes thee, snoepjes, eieren en wodka. De wodka is 8000 roebel (2,75 gulden) per halve liter, spotgoedkoop maar nog altijd 1000 roebel duurder dan bij de concurrent. “Concurrent?”, zegt de vrouw achter de toonbank niet begrijpend. “Hoe bedoelt u? Wij doen niet aan dat soort dingen hoor, wij zijn de coöperatie. Onze produkten zijn gewoon goed.”