'Indonesië is jùllie gewetensprobleem'; Ceremoniemeester over staatsbezoek van koningin

JAKARTA, 22 JULI. “Een gast breng je niet in verlegenheid en om excuses vraag je niet. Dat is in strijd met onze opvatting van goede manieren.” Professor Emil Salim (65) is dit jaar de ceremoniemeester van de jubilerende republiek Indonesië. President Soeharto heeft hem persoonlijk benoemd tot voorzitter van het Nationale Comité ter Herdenking van Vijftig Jaar Onafhankelijkheid. Een benoeming die blijk geeft van presidentieel vertrouwen in deze econoom uit Sumatra die vijftien jaar lang Soeharto's minister van milieu was. Toen Salim vorige week liet weten dat Indonesië tijdens het komende staatsbezoek van koningin Beatrix geen excuses zal vragen voor 350 jaar koloniaal bewind, stond wel vast dat hij mede uitdrukking gaf aan de opvattingen van de eerste man.

Salim zei bij dezelfde gelegenheid dat Indonesië geen rechtstreeks verband legt tussen het koninklijk bezoek en het nationale jubileum. Dat was een verrassing. Soeharto heeft tijdens de Wereldmilieuconferentie in Rio de Janeiro, drie jaar geleden, immers aan ex-premier Lubbers voorgesteld dat de koningin de feestelijkheden zou bijwonen.

Salim knikt: “Jawel, maar de Nederlandse regering heeft om binnenlandspolitieke redenen een koninklijke acte de présence op 17 augustus afgewezen en besloten om het bezoek pas te laten beginnen na die datum. Ik begrijp best waarom. Welnu, als je daar begrip voor hebt, moet je die kwestie niet uitspelen. Ons principe luidt aldus: de koningin is straks onze gast, we zullen haar met alle eerbetoon onthalen en we willen haar op geen enkele manier in verlegenheid brengen. Als ze van Nederland mag komen in het kader van de vijftigste verjaardag van onze onafhankelijkheid, prima. Als het verband tussen beide evenementen haar in Nederland problemen bezorgt, zullen wij dat niet leggen.”

Is het voor Indonesië van betekenis dat de koningin juist in dit jubileumjaar naar Indonesië komt?

“Oh, zeker. Maar we willen in geen geval de indruk wekken dat we haar gebruiken. We weten inmiddels hoe gevoelig een en ander ligt in Nederland. Dan zou het van ons toch onbehoorlijk zijn om dat uit te buiten. Dat doe je niet als gastheer, dat is in strijd met wat wij sopan santun (goede manieren) noemen. Als de koningin wil meedoen aan het feestprogramma na de zeventiende, is ze meer dan welkom. Dat is aan haar; wij zullen haar niet in die richting duwen.”

Vorige week zei u dat Indonesië van Nederland geen excuses zal vragen voor het koloniale verleden. Waarom bent u daarover begonnen?

“Omdat in Nederland op excuses is aangedrongen. En dan heb ik het niet alleen over die opiniepeiling, die uitwees dat eenderde van de Nederlanders daar prijs op stelt, maar ook over de uitlatingen van Jan Pronk. We kennen niet alle Nederlandse ministers, maar Jan Pronk kennen we heel goed. Dit was een signaal en ons antwoord luidt aldus: Nederlanders, dit is aan jullie, dit is een zaak van jullie eigen geweten. Enigerlei eisen van onze kant mogen daar geen invloed op uitoefenen. Zoals u weet, woedt in andere Aziatische landen een debat of Japan excuses moet aanbieden voor zijn optreden tijdens de oorlog. Wij hebben ons niet aangesloten bij de club die verontschuldigingen eist. Als iemand die wil aanbieden, is dat natuurlijk welkom, maar je behoort niet te vragen om excuses. Daar komt bij dat we tijdens het bezoek niet achterom willen kijken. Met de koningin reist een groot gevolg mee van Nederlandse zakenlui. Met hen kunnen we lijnen trekken naar de toekomst. Dát is belangrijk.”

Als minister heeft u meermalen te doen gehad met Jan Pronk. Hij is een omstreden figuur in dit land. Uitgerekend hij kwam met een pleidooi om de zeventiende augustus te erkennen als het begin van Indonesië's onafhankelijkheid.

“Ik ken Jan Pronk goed. Ik weet dat hij eigenlijk een groot vriend is van Indonesië; hij houdt van dit land. Pronk is een activist, geen conventionele westerse politicus. In de UNCTAD heeft hij gevochten voor de ontwikkelingslanden; hij is een bondgenoot van het Zuiden. Het verbaast me dan ook niet dat dit geluid van hem komt. De zeventiende augustus heeft voor ons een grote betekenis, die datum is bijgeschreven in onze geschiedenis en daar zijn we trots op. Ik ben zelf als vrijheidsstrijder in Palembang opgepakt door Nederlandse militairen. Ik heb aan den lijve ondervonden wat deze zogenoemde politionele acties betekenden. Het was een oorlog en voor ons een revolutie. Er wordt wel beweerd dat we onze onafhankelijkheid hebben te danken aan Japan, dat onze onafhankelijkheid het resultaat is van de Ronde Tafelconferentie in Den Haag en dat we de onafhankelijkheid pas kregen op 27 december 1949. Allemaal niet waar. Als er dan in Nederland een minister opstaat en tegen zijn landgenoten zegt: hoor eens, de historie wijst uit dat Indonesië onafhankelijk werd op 17 augustus, dan denk ik bij mezelf: dit is een vent die tegen de stroom durft in te gaan. Zo iemand breng je een saluut. Ik begrijp dat premier Kok de 17de augustus inmiddels heeft erkend. Hij zei ook tot we moeten wachten op de rede van de koningin in Jakarta. Laten we dat doen. Wij dringen nergens op aan, het is jullie gewetensprobleem.”

U kent president Soeharto goed. Hoe staat hij tegenover het koninklijk bezoek?

“De president is een echte Javaan. Javanen kunnen zich heel goed over narigheden uit het verleden heenzetten. Soeharto was zeer hartelijk tegenover koningin Juliana en met Prins Bernhard staat hij op heel goede voet. Het klikt tussen die twee. Bernhard brengt altijd sigaren voor hem mee. Toen ze samen in het natuurreservaat Ujung Kulon waren, zag de president er op toe dat de prins zijn favoriete wijn kreeg. Prins Bernhard vertelde me dat hij heel openhartig praat met de president, over bosbouw en natuurbeheer bijvoorbeeld. Soeharto beschouwt de prins als een oudere broer. Beatrix is zijn dochter en zoiets heeft meer dan formele betekenis.”

Denkt u dat de Indonesiërs, van welke generatie dan ook, nog een wrok koesteren tegen Nederland?

“Nee. Nee. Indonesiërs denken veel gunstiger over Nederland dan over Japan. De Nederlandse periode was geen militaire bezetting, maar een koloniaal bewind, met kwade, maar ook met goede kanten. In die 350 jaar zijn we deel geworden van elkaars cultuur. Ik ben opgegroeid met Dik Trom, biefstuk en huzarensla. Mijn generatie heeft een zwak voor Nederland. De vrijheidsoorlog heeft daarover geen schaduw geworpen. Die strijd heeft onze onafhankelijkheid versneld. Zonder onze militaire inspanning zou het veel langer hebben geduurd. Voor diegenen wier verwanten door de Nederlanders zijn gedood, liggen de zaken anders, maar ik ken ook mensen die in weerwil van zulk groot persoonlijk verlies geen haatgevoelens koesteren tegen Nederland.”