In de koninklijke tuinen op de koninklijke thee

Niet dat ik verwacht had de enige gast op het tuinfeest van de koningin te zijn. Toch was het een teleurstelling toen ik bij Buckingham Palace die gigantische rijen ontwaarde. Al die mannen die in hun jacquet stonden te zweten. Al die vrouwen die hun buitensporige hoofddeksel tegen de grillen van de wind moesten beschermen. Lijk je uitverkoren, verdwijn je nog in de massa. Schuifelend langs de hekken, aangegaapt door de toeristen, vond ik het lastig mijn decorum te bewaren. Mijn entree bij het Britse koninklijk huis had ik me toch iets anders voorgesteld.

Eenmaal binnen kwam aan die rijen nog geen einde. In drie grillige colonnes trokken de gasten over het voorplein, door de galerijen, langs de binnenplaats, door de koninklijke vertrekken om uiteindelijk via het bordes in de tuin te belanden. Daar ontstonden meteen weer andere rijen. Voor de tenten met toiletten die natuurlijk geen toiletten mochten heten. 'Garderobe' stond er bij de ingang, zeker vanwege die ene kapstok in de hoek en twee kaptafels die de wc's van de pisbakken scheidden. Maar het rook er net zo als in het Feyenoord-stadion.

Ik was een van de eersten die de Koningin met hun aanwezigheid verblijdden. Ik was een van de laatsten die door de paleiswachten moesten worden weggejaagd. Vrijwel steeds ben ik de onwillige schakel in een rij geweest. Of ik stond in de rij om de koninklijke thee te proeven die uit zilveren samowars werd geschonken. Of ik stond in de rij voor het koninklijke roomijs dat in kartonnen bekers met gifgroene plastic lepeltjes werd opgediend. Ik wil de schijn van ondankbaarheid ten koste van alles vermijden. Maar soms stond de vereiste inspanning in geen enkele verhouding tot de geboden tractatie. In de rij voor de plakkerige chocoladetaart werd ik door een horde padvinders omver gelopen. Een struise matrone veegde met één verkoelende beweging van haar waaier de soppige sandwich met tonijnsalade van mijn bord.

Aangeslagen zocht ik in de koninklijke tuinen vertroosting, misschien ook wel omdat ik niks anders wist te doen. Even volgzaam als leergierig imiteerde ik al die andere dolende gasten. Ik slenterde om het meer heen, een hand onder mijn kin, alsof ik het gazon inspecteerde. Niet meer dan een pose, maar ook schijn leidt soms tot inzicht: het gras van de koningin is heus niet groener dan het mijne. Het gras van de koningin is net zo dor en geel.

Een keer bleef ik langdurig stilstaan bij een Asclepias Tuberosa (dat stond op het bordje). En tegen de andere bezoekers die aangedruppeld kwamen, verklaarde ik plechtig dat de Asclepias Tuberosa er toch maar verdomde goed bij stond. Die uitspraak werd met instemmend gemompel, met geestdriftig geknik zelfs, beantwoord. Alsof ik hoop aan een land in verval had geboden. Alsof ik de hele natie verhief met mijn oordeel: het Verenigd Koninkrijk staat er toch maar verdomde goed bij.

Gesterkt door dit succes, ging ik me steeds vrijer bewegen door de velden. Ik meed de gravel paden waar de stilettohakken ploegden. Ik vleide me neer onder een koninklijke treurwilg. Ik zoog de geur van de John Grooms-roos en de Gloire de Dijon in me op.

De rust vond ik in een houten prieel dat werd gedragen door gebaarde zeemeermannen. Eindelijk vrij van de rij. Ik had me aan de rij onttrokken. Nu trok de rij aan mij voorbij.

Eindelijk was ik ook bij machte om mijn oren te gebruiken. Ik hoorde het piepen van remmende bussen. Ik hoorde het geronk van lekkende motoren. En ik was verbaasd en vertederd. Ik dacht: deze koningin is pas echt één met haar onderdanen. Net zoals drie miljoen andere Londenaren is ze geen seconde van het verkeerslawaai verlost.

Dit besef maakte dat ik de massaliteit van het tuinfeest met grotere toegeeflijkheid bezien kon. Is het niet al groots als een Britse vorstin sinds 1960 vier keer per zomer het volk op de thee vraagt, daarmee een traditie vervolgend die tot in 1868 teruggaat? Is het gek als ze bij die gelegenheden zoveel mogelijk van haar onderdanen, uit alle sectoren van de samenleving, wil ontmoeten? Dat een ontvangst van 9.000 gasten nog geen dwarsdoorsnee van de Britse maatschappij oplevert - weinig jongeren, weinig kleurlingen - daar kan zij niet op aangesproken worden. Liefdadigheidsinstellingen, bedrijven, leger en kerkelijke instanties zorgen voor de voordracht van de gasten. Maar hoe zou de gelijkheid van al die mensen beter kunnen worden benadrukt dan door ze te dwingen in de meest democratische van de Britse conventies: de ordelijke rij, de 'queue'.

Ik werd uit mijn overpeinzingen gewekt door een militaire kapel die het themanummer van de Bond-film Goldfinger vertolkte, misschien als hulde aan al die andere dienaren in Her Majesty's Service. Daarna moest het Britse volkslied wel volgen. Ik zag nog net hoe de koningin met haar gevolg op het bordes verscheen. Dat was het startsein voor de formatie van weer nieuwe rijen: erehagen. Een moment ook van twijfel, want welke rij te kiezen. De koningin zou de linkerroute nemen, prins Phillip zou de middenweg kiezen, prins Charles zou de rechterrij volgen. Mijn buurvrouw stelde me gerust door te verklappen dat je ook van rij naar rij mocht 'hoppen', zodat je ze alle drie kon zien.

In de rij van prins Charles stonden voornamelijk vrouwen die in pose, kleding en kapsel aan prinses Diana deden denken. Ze lachten zelfs hetzelfde, alsof ze meededen aan een koninklijke playbackshow. Maar prins had uitsluitend spontane ontmoetingen met voornaam uitziende mannen wier naam op de lijst van de kamerdienaars prijkte. Gasten die tevoren aangewezen waren. Op deze volksreceptie was toch niet iedereen gelijk.

Alleen de houders van een blauwe kaart mochten in de theetent voor het diplomatenkorps. En alleen de houders van een rode kaart waren welkom onder het koninklijk tentdoek. Zij hoefden niet op de groene klapstoelen te zitten. Voor hen was het rood pluche.

Maar de meeste groene-kaarthouders waren allang blij dat ze de koningin in levenden lijve hadden mogen aanschouwen, dat ze van het koninklijk servies hadden genipt. Bij de uitgang stonden een rij vrouwen soesjes in servetten te rollen: om de kinderen thuis te kunnen laten delen in het tuinfeest van de koningin.